Een apologie voor de politici

verkiezingslijstPolitici en partijen krijgen er hier geregeld van langs, en terecht. Maar waarom halen ze zich onze wrevel zo op hun hals?

 

 

De campagne nadert nu haar ‘hete’ fase. De beloften vallen als gebraden duifjes uit de lucht. Het paradijs kunnen we hebben, en nog wel gratis en pijnloos, als we maar op XYZ stemmen. In het diepst van zijn verstand weet ieder van ons dat hier iets niet klopt. En toch spelen we het spel allemaal mee. Volwassen mensen… We doen dat onder de kundige leiding van onze kandidaat mandatarissen, die hun Potemkinse dorpen aanprijzen met een overtuigingskracht alsof ze er zelf in zouden geloven. Die ‘stemtest’ alleen al toont duidelijk hoe weinig dat allemaal nog met de realiteit te maken heeft.

De selectiemachine

Zijn politici dan allemaal afgronddiep gewetenloos cynisch? Voor een groot deel waarschijnlijk wel, ook al werden de meesten niet zo geboren. Daar zijn redenen voor. Bedenk eens even wat men moet doen om in dit land minister of partijvoorzitter te worden. Diegenen die dat nu zijn, komen uit een knalhard selectieproces dat minstens twintig jaar op de betrokkenen ingewerkt heeft. Gedurende hun verblijf in de ‘selectiemachine’ worden ze namelijk niet enkel ‘uitverkoren’ of gedumpt, ze leren er ook het een en ander. Hoewel er natuurlijk individuele verschillen zijn, hebben al diegenen die uiteindelijk slagen zeker één ding verinnerlijkt: wat wel en niet loont. Neen neen, niet wat voor de samenleving goed of ongunstig is, maar enkel wat het passeren van de zeven der selectiemachine vergemakkelijkt of hindert. Bij de aankomst weten ze – uit bittere ervaring – heel zeker dat bestuurlijke bekwaamheid, lange-termijn denken, altruïsme, eerlijkheid, bedachtzaamheid, grondigheid en dergelijke (allemaal eigenschappen die wij van onze overheid verwachten) zich definitief niet lonen. Ze hebben de occasionele idealist, die al die dingen bij had, miserabel zien falen. Moeder Theresa zou nooit geslaagd zijn.

Nu kan men niet twintig jaar lang in een dergelijke omgeving leven zonder grondig beïnvloed en veranderd te worden. De selectiemachine selecteert dus niet alleen: ze vormt ook. Men kan er, om het zo te zeggen, als koorknaap binnen gaan en er als Leterme of Vande Lanotte uit komen.

Maar er is niet slechts één selectiemachine aan het werk, er zijn er twee. Men moet niet enkel partijintern de machtigen naar de mond praten, concurrenten monddood diffameren en zich met andermans veren tooien: er zijn ook nog verkiezingen te winnen. Politici leren al heel gauw dat er niet zo veel verschil is. Verkiezingen zijn net hetzelfde circus. Alleen zijn er veel meer betrokkenen, die nóg minder gemeenschappelijke doelen en focus hebben, en misschien ook nog een tikkeltje wispelturiger zijn.

En dan komt de realiteit.

Maar wat als de laureaten van het selectieproces uiteindelijk aan de macht komen? Dan worden ze met een volkomen vreemde wereld geconfronteerd: de realiteit. De realiteit is brutaal en genadeloos, en niet van haar ongelijk te overtuigen. Ze zegt dat men een cent die men ergens wil uitgeven eerst ergens anders moet krijgen. Ze zegt dat men geld weliswaar kan stelen of lenen, maar dat enkel ‘verdienen’ een duurzame oplossing brengt. Ze zegt dat men die cent ook maar één keer kan uitgeven. Ze zegt dat die cent enkel gehaald kan worden bij iemand die hem eerst heeft moeten verdienen. Ook als dat laatste er soms anders uitziet: globaal en op lange termijn klopt het totaal. Zelf als diegene waarvan we die cent afnemen er zelf niet voor gewerkt heeft, heeft hij hem toch gehaald bij iemand die dat wel heeft moeten doen. Profiteurs en dievenzijn – economisch gezien– uiteindelijk niets meer dan ergerlijke doorgeefluiken. De realiteit zegt dus nogal wat, en allemaal even weinig aantrekkelijk. Als we ze niet willen geloven – wat nogal eens voorkomt – argumenteert ze niet met ons. Ze bestraft ons dan gewoon: knalhard, brutaal, zonder mogelijkheid van beroep, verjaring, procedurefouten, minnelijke schikking of koninklijke gratie.

Daarop is de politicus werkelijk niet voorbereid. Hij heeft geleerd dat het geen kwaad kan de realiteit te minachten, en nu staat ze daar grijnzend, ongenaakbaar, vierkant in zijn weg.

Vooral als het geld krap wordt, komen de grote tegenstrijdigheden aan de oppervlakte. Bij een Spartaans budget is focus nodig: middelen moeten zeer doelgericht op beperkte objectieven geconcentreerd worden. De meeste politici zullen dat wel inzien. Maar in de ‘Belgische overleg-democratie’ (copyright Yves Desmet) is een grondprincipe dat ‘iedereen iets moet krijgen’. Dat laatste speelt bij verkiezingen, ook binnen de partijen, een veel grotere rol dan de effectiviteit van het beleid. Een politicus die dat niet heel vroeg leert komt nooit als laureaat uit de selectiemachine. En dus wordt het geld breed uitgesmeerd, eigenlijk verkwanseld, zonder ergens echt een beoogd effect te boeken.

Wij, het volk, merken het intuïtief: ‘rien ne va plus’. Schuldigen vinden we ook direct: de politici. Maar wacht even: politici zijn ook niets meer dan mensen zoals wij. Het enig verschil is dat ze door de selectiemachine geconditioneerd zijn. Yves Desmet noemt die conditionering ‘ervaring’ en maakte zich onlangs in een column nog zorgen over een te grote personeelswissel in de parlementen, omdat dan die ervaring verloren zou kunnen gaan!

Wie ontwerpt, maakt en bedient de selectiemachine?

Die geheimzinnige, alles bepalende selectiemachine wordt volledig gevormd door onze eigen voorkeuren en gevoeligheden, door onze rationaliteit of irrationaliteit. Met andere woorden: totaal door ons. En wij willen veel krijgen en weinig geven. Wat we onze politici alleszins kunnen verwijten is dat ze ons niet durven zeggen dat die kinderlijke verwachtingen onvervulbaar zijn: ze vrezen onze voorspelbare reactie. Ook dat hebben ze in de selectiemachine geleerd.

Montesquieu zag ‘de deugd’ – dus zowat het tegendeel van alles wat we hierboven beschreven hebben – als dragend principe van de democratie, en waarschuwde dat corruptie van die ‘deugd’ de democratische staat zal vernietigen. Die ‘deugd’ kan zich nooit tot de besturende klasse beperken. De maatschappij in toto heeft ze, of ze bestaat niet. Montesquieu schreef: Lorsque cette vertu cesse, l'ambition entre dans les cœurs qui peuvent la recevoir, et l'avarice entre dans tous.

l’Esprit des Lois, livre III

Bij ons is het zo ver.

Dwarsligger