email 297633 960 720 gray text sleepers02

dwarsliggers

Dwarsliggers ... noodzakelijk om het rechte spoor te houden
lees meer over onze filosofie

gebeten om te weten DRIE

Universitaire evolutie: van performatieve deugd naar verstikkende orthodoxie?

Stilte is de grondstof van elke dictatuur

Hoe ideologische conformiteit op Amerikaanse topcampussen en aan de Universiteit Gent voorbeelden zijn die de democratische weerbaarheid ondermijnt – en ons dichter bij autoritaire systemen brengt

Op de Amerikaanse universiteitscampussen van Northwestern en Michigan gebeurde iets opvallends. Tussen 2023 en 2025 interviewden onderzoekers Forest Romm en Kevin Waldman 1.452 studenten in vertrouwen. De centrale vraag was klinisch, niet politiek: wat gebeurt er met identiteitsvorming wanneer overtuiging wordt vervangen door gehoorzaamheid aan een orthodoxie? Het antwoord was onthutsend. 88 procent van de studenten gaf toe ooit progressieve standpunten te hebben geveinsd om sociaal of academisch te slagen. 78 procent censureerde zichzelf over genderidentiteit, 72 procent over politiek, meer dan 80 procent leverde papers in die hun werkelijke mening fout presenteerden. Studenten rijpen niet meer; ze managen en liegen. Ze leren de veilige scripts, vermijden conflict en splitsen hun publieke persoonlijkheid van hun private overtuigingen. De onderzoekers noemen dit een ontwikkelingscrisis: inclusie die oneerlijkheid eist, is geen psychologische veiligheid, maar zelfverloochening.

Dit is geen Amerikaans randverschijnsel. Dezelfde dynamiek speelt zich af in Europa, met de Universiteit Gent als sprekend voorbeeld van de evolutie. Aan de vakgroep Wijsbegeerte en Moraalwetenschappen – precies de plek waar moreel redeneren, kritisch denken en het onderzoeken van taboes centraal zouden moeten staan – is de ruimte voor afwijking systematisch versmald.

Maarten Boudry, jarenlang verbonden aan diezelfde faculteit, beschreef het klimaat als “verstikkend” en “vijandig”. Zijn weigering om in het Gaza-debat de standaardlijn te volgen en zijn kritiek op ideologische eenzijdigheid leidden tot isolatie. Hij verbrak uiteindelijk zijn banden met de UGent.

Nathan Cofnas, postdoc aan dezelfde vakgroep, kwam onder vuur te liggen om zijn onderzoek naar genetische componenten in groepsverschillen in intelligentie. Protesten, petities van collega-filosofen en een schorsing volgden, terwijl 700 academici het opnemen voor Cofnas

Mattias Desmet, professor klinische psychologie, zag na zijn kritiek op de coronamaatregelen en zijn theorie over massavorming , een  proces dat hij vergelijkt met een vorm van collectieve hypnose, en zijn boek uit de opleiding gehaald worden alsook de  lesopdracht gehalveerd.
Parallel hieraan koos de UGent, onder druk van studentenacties, voor een verregaande breuk met Israëlische academische partners die in veel diciplines tot de wereld topklas behoren– een politieke keuze die selectief was , academische schade berokkend, en verder ging dan de meeste peer-instellingen.

De rode draad is duidelijk. Waar het Amerikaanse onderzoek de microdynamiek van zelfcensuur blootlegt, toont Gent de institutionele vertaling ervan. Faculteiten moraalwetenschappen en bestuursorganen die de vrijheid van onderzoek zouden moeten beschermen, fungeren steeds vaker als handhavers van een morele consensus. Afwijkende hypotheses worden niet weerlegd met argumenten, maar gesanctioneerd met sociale druk, procedurele maatregelen of politieke boycots. De paradox is pijnlijk: juist de disciplines die morele complexiteit en intellectuele eerlijkheid zouden moeten cultiveren, produceren het sterkste conformisme.

Het resultaat is een generatie die leert dat conflict vermijden veiliger is dan waarheid najagen. In een democratie is de staat er voor de burgers en de universiteit voor het open onderzoek. Wanneer beide de logica van autoritaire systemen overnemen – conformiteit belonen, afwijking bestraffen – ontstaat een paradoxale uitholling. Afgestudeerden worden geen weerbare burgers die argumenten kunnen dragen, maar aangepaste managers die de heersende windrichting lezen.

De Amerikaanse studie en de Gentse praktijk laten hetzelfde mechanisme zien. “Performative virtue-signaling “(deugdsignalen sturen voor de bühne) is geen onschuldig modeverschijnsel. Het is een trainingsprogramma in zelfcensuur. Als universiteiten – en de morele filosofen die er werken – de voorwaarden scheppen voor lijdzame burgers, ondermijnen zij precies de democratische cultuur die zij claimen te beschermen.

 Het antwoord is niet een tegengestelde orthodoxie, maar het herstel van de oude academische deugden: argument boven identiteit, openheid boven veiligheid, en de moed om te zeggen wat men werkelijk denkt. Zonder dat worden campussen geen broedplaatsen van kritische geesten en vooruitgang, maar fabrieken van goed aangepaste stilte – en uiteindelijk van een samenleving die haar eigen vrijheid heeft uitgehold.

Democratieën sterven zelden door een plotselinge coup. Vaker door de geleidelijke erosie van de gewoontes die ze in stand houden: open debat, intellectuele moed en de bereidheid om ongemakkelijke feiten onder ogen te zien. Wanneer universiteiten, media en morele elites precies die gewoontes ontmoedigen, creëren zij de voorwaarden voor een samenleving die in de praktijk steeds minder verschilt van systemen die wij officieel verafschuwen. De performatieve deugd van vandaag wordt de stilte van morgen. En stilte is de grondstof van elke dictatuur.