Twee bijdragen: De economische motor achter de genocide in Gaza en Over het ernstige gevaar van de anti-Israëlische propaganda
De economische motor achter de genocide in Gaza
We bevelen onze lezers aan om deze publicatie te lezen. Het is alvast een aanduiding dat het conflict veel facetten heeft. Deze anti-Israëlische houding is niet nieuw en ontstond aan de elitaire Amerikaanse universiteiten.
Enkele citaten en commentaren (onze commentaar in cursief)
In de samenvatting van het nieuwe rapport staat te lezen:
“Terwijl politieke leiders en regeringen zich onttrekken aan hun verplichtingen, hebben te veel bedrijven geprofiteerd van de Israëlische economie van illegale bezetting, apartheid en nu genocide. [...] Er zal geen einde aan de genocide komen zonder de private sector verantwoordelijk te stellen, inclusief leidinggevenden. Het internationaal recht erkent verschillende gradaties van verantwoordelijkheid. Elk vereist onderzoek en verantwoording, in dit geval specifiek, waar de zelfbeschikking en het bestaan van een volk op het spel staan. Dit is een noodzakelijke stap om de genocide te beëindigen en het mondiale systeem dat dit mogelijk heeft gemaakt te ontmantelen.”
Wanneer economische spelers (én overheden) géén materieel en materiaal mogen leveren wegens het risico dat ze daardoor meewerken aan "het bestaan van een volk op het spel zetten", dan kunnen we ons best voorstellen dat daarmee ook alle sponsors geviseerd worden die bijgedragen hebben tot de militaire uitbouw van de terreurgroep HAMAS waarvan de doelstelling ondubbelzinnig is om de staat Israël van de kaart te vegen. Ook westerse organisaties (ngo's) en landen hebben bijgedragen aan de realisatie van deze politieke genocidaire doelstelling.
En verder een verwijzing naar Vanguard en Black Rock.
Zoals we zelf ook vroeger al schreven zijn deze twee Amerikaanse financiële instellingen de top van de financiële piramide en ze hebben in hun portefeuille participaties in quasi alle economische sectoren.Voor Vanguard geldt daarbij dat ze privé-fondsen beheren die niet publiek gemaakt worden.
Waarom de genocide blijft voortduren is pijnlijk duidelijk: omdat ze winstgevend is. Terwijl Palestijnen hun kinderen begraven, levend verbrand worden of onder het puin de ledematen van hun familieleden bij elkaar schrapen, is de aandelenbeurs van Tel Aviv met maar liefst 213% gestegen. In totaal werd er 225,7 miljard dollar aan nieuwe marktwaarde gegenereerd.
Dat geldgewin soms heel pervers, zelfs mensonterend kan werken, betwisten we niet. Ook wij hebben in meerdere publicaties de oligarchie (zowel van ''links Communistisch als van 'rechts Westers' scherp veroordeeld. Het is even duidelijk dat de Westerse staten die gooien met subsidies naar die subsidieverslaafden waardoor deze zo machtig konden worden en nu zelf het voortouw nemen, is ook een vorm van medeplichtigheid.
Ze (Albanese) vraagt het Internationaal Strafhof en nationale rechtbanken om onderzoek te doen naar bedrijfsleiders en hen ook juridisch te vervolgen wanneer er wordt vastgesteld dat hun bedrijven een aandeel hebben in het plegen en witwassen van internationale misdaden en een actieve deelname aan de genocide in Gaza.
Gezien echter de grote bedrijven Amerikaans zijn, en zowel de Russische Federatie als China het Internationaal niet erkennen ... blijven er slechts Europese schuldigen over. Misschien moet Apache eens onderzoek doen naar de Belgische deelname door de levering van goederen via onze havens ....
De tweede bijdrage:
Over het ernstige gevaar van de anti-Israëlische propaganda
Historicus Georges Bensoussan hekelt de manier waarop sinds de jaren 1980 het bestaan van de staat Israël steeds vaker wordt gedemoniseerd en zelfs gelijkgesteld aan genocidaal beleid, vergelijkbaar met het vroegere antisemitisme dat Joden als paria’s bestempelde.
Door zich te beroepen op het beleid van Benjamin Netanyahu – een premier die zijn samenleving verdeelt en beschadigt – is de anti-Israëlische propaganda in volle gang, zo constateren de historicus* en de emeritus hoogleraar**. In deze woelige tijden roepen zij op om het onvervreemdbare recht op het bestaan van de staat Israël, die van alle kanten wordt aangevallen, opnieuw te bevestigen.
Sinds 1948 heeft geen enkel land ter wereld in zo’n korte tijd zoveel oorlogen meegemaakt, noch is het door meerdere legers tegelijk op eigen grondgebied aangevallen. Eerst was er de oorlog van een coalitie, de Arabische Liga (Egypte, Jordanië, Irak, Syrië, Libanon, Saoedi-Arabië en Noord-Jemen), gesteund door vrijwilligers uit Soedan, Afghanistan en de beweging van de Moslimbroeders. Daarna volgde er zeventig jaar lang een quasi-permanente oorlogstoestand, waarbij de jaartallen 1956, 1967, 1973, 1982, 2006, 2008-2009, 2014, 2023 en de sluimerende oorlogen (Intifada 1987-1993, 2000-2004) telkens opnieuw herinneren aan de existentiële noodzaak voor Israël om ze allemaal te winnen – of het land de oorlog nu zelf begon of onderging.
Wij spreken ons hier niet uit om, zoals zovelen, partij te kiezen in de actuele tragedie. Meer dan tweeëntwintig maanden scheiden ons van de gebeurtenissen van 7 oktober 2023. De oorlog die in Gaza wordt gevoerd tegen Hamas en de Islamitische Jihad, vervolgens tegen Hezbollah en de Houthi’s uit Jemen, en meer recent nog tegen de altijd dreigende Iraanse nucleaire dreiging, maken duidelijk dat het hier niet gaat om een “oorlogszuchtige stemming” van een zogenoemde pax hebraïca, zoals een deel van de ophitsende pers suggereert, maar om een veelvormige bedreiging van de enige niet-Arabische en niet-islamitische staat in de regio.
Ondanks alle wisselvalligheden van dit al meer dan 120 jaar durende conflict is er in wezen niets veranderd: de weigering om een volk soevereiniteit en legitimiteit toe te kennen over een stukje land waarmee het een symbolische, maar daardoor reële, band heeft – een band die leeft in zijn verbeelding, in zijn collectieve voorstelling, en die zijn legitimiteit bevestigt via een herstelde taal, het Hebreeuws, en een hernieuwde natie, het volk Israël. Want daar gaat het om: het recht op bestaan van een staat die, tegen zijn wil, wordt geconfronteerd met eindeloze oorlogen omdat dit fundamentele principe wordt betwist. Niet omdat het weigert naast zich een Palestijnse Arabische staat te laten ontstaan – iets wat de Arabische zijde juist zes keer heeft afgewezen: in 1937 met het Peelplan, in 1939 met het derde Britse Witteboek, in 1947 met het VN-besluit tot verdeling van Palestina, en verder na de Oslo-akkoorden (september 1993) in 2000 (Camp David), in 2001 (Taba) en in 2007 (Annapolis). Zes keer wees de Arabische zijde de Palestijnse staat af, omdat dit in feite erkenning van de staat Israël zou betekenen en de aanvaarding van een historisch compromis waartoe het grootste deel van de Arabisch-islamitische wereld nog altijd niet bereid is.
Het handvest van Hamas (1988) is duidelijk over de aard van de strijd die het tegen Israël wil voeren: het land vernietigen en Joden doden. Reeds in de eerste regels beroept het zich op de Koran en citeert het soera 3: “Wij zullen angst werpen in de harten van de ongelovigen (…) Hun verblijfplaats zal het Vuur zijn. Wat een afschuwelijke verblijfplaats voor de goddelozen!” waarna het stelt: “Israël bestaat en zal blijven bestaan totdat de islam het zal afschaffen (uitwissen) zoals het heeft afgeschaft wat eraan voorafging.” Vervolgens gaat de tekst verder: “Onze strijd tegen de Joden is een groot en gevaarlijk project dat alle oprechte inspanningen vergt en een etappe vormt die ongetwijfeld gevolgd zal worden door andere etappes; het is een voorhoede die ongetwijfeld gesteund zal worden door andere voorhoedes die, één na één, uit de immense Arabisch-islamitische wereld zullen komen totdat de vijanden verpletterd zijn door de overwinning van God.”
Vandaag klinkt er een zacht, maar dodelijk deuntje. Het is niet langer slechts het achtergrondgeluid van vroeger, maar verandert langzaam in een luid rumoer dat één enkele staat eist: “van de zee tot de rivier”. In duidelijke termen: een Palestina dat de staat Israël voorgoed uitwist. Maar vóórdat men het in werkelijkheid uitwist, wordt het eerst van de kaart geveegd, dan uit het vocabulaire, dan uit het bewustzijn; zo worden de geesten geleidelijk gewend aan zijn feitelijke verdwijning. Dit is wat nu voor onze ogen gebeurt door oproepen tot een “vrij Palestina van de rivier tot de zee”, een onafgebroken tromgeroffel dat de publieke opinie wil bewerken en dag na dag wil inprenten dat de oprichting van de staat Israël in mei 1948 een historische vergissing was – een uitloper van het westerse kolonialisme dat niet langer zal standhouden dan de kruisvaardersstaten van de 12e eeuw. Het “normale verloop” van de geschiedenis zal, zo denkt men, pas terugkeren als de islam ononderbroken regeert van Marokko tot Pakistan, zonder de “Israëlische beet” (Georges Corm) in zijn midden, die “kankerachtige tumor die uitgeroeid moet worden”.
Door zich te baseren op de uitspraken van drie extremistische (en onverantwoordelijke) ministers, die slechts een marginale fractie van de Israëlische bevolking vertegenwoordigen, en die van een premier die zijn samenleving verdeelt en beschadigt, is de anti-Israëlische propaganda in volle gang. Zij wil ons doen geloven dat er sprake is van een poging tot vernietiging van de Palestijnen. Televisie- en radio-uitzendingen verdringen elkaar om te spreken van “de genocide in Gaza”, de vernietiging van de Palestijnen (en niet van Hamas). De herhaling van deze beschuldiging laat zien dat het minder om een veroordeling van een bepaald beleid van de staat Israël gaat, dan om zijn bestaan zelf – vooral wanneer de beelden en cijfers die door Hamas worden verspreid, een meester in mediabeïnvloeding, voor waar worden aangenomen.
Als de beschuldiging van genocide zo vaak wordt gehoord, is dat omdat zij gretig wordt verwacht – zij is nodig om een principiële haat te legitimeren die sinds 1948 in de geschiedenis telkens weer opduikt. Alsof sinds Auschwitz het bestaan zelf van deze staat de oude anti-Joodse hartstocht ertoe veroordeelt om sluipend verder te gaan.
Op het oude misdrijf van godsdood is het misdrijf van genocide gevolgd, met hetzelfde effect: uitsluiting uit de gemeenschappelijke mensheid. Reeds in 1948 beschuldigde de Franse extreemrechtsman Maurice Bardèche de staat Israël van “genocide” tegen de Arabieren, een beschuldiging die herhaald werd tot in de extreemrechtse publicatie Rivarol, die sinds 7 oktober 2023 regelmatig koppen maakt over “de genocide in Gaza”. Vanaf 1950 begon het stalinistische communisme het zionisme te demoniseren en maakte het tot een van de aanklachten in het proces-Slansky, gehouden in Praag in november 1952, waar 9 van de 12 beklaagden – allen Joden – werden beschuldigd van trotskisme, titoïsme… en zionisme. Eind 1952 zette Stalin de zogenaamde “dokterscomplot”-machinatie in gang, waarbij Joodse artsen, eveneens als “zionisten” bestempeld, werden beschuldigd van samenzwering tegen de partijlite. Een machinatie die abrupt werd stopgezet door de dood van de tiran op 5 maart 1953, en die de voorbode vormde van een massale deportatie van de Joden in de Sovjet-Unie.
Veertig jaar lang, tot 1991, overspoelde Moskou de wereld met “antizionistische” literatuur waarin de staat Israël werd afgeschilderd als de waardige erfgenaam van het nazisme – een demonisering die in november 1975 uitmondde in een resolutie van de Verenigde Naties die het zionisme gelijkstelde met een “vorm van racisme” (in 1991 ingetrokken).
Wie zou het lijden ontkennen van de 2 miljoen Palestijnen die door de Israëli’s zijn ingesloten en onderworpen aan de wrede willekeur van de milities van Hamas? De Palestijnse advocaat Mounem al-Natour, door Hamas gezocht om hem te vermoorden, verklaarde onlangs (telefonisch) aan de Duitstalige Zwitserse krant Neue Zürcher Zeitung: “Hamas verergert de situatie, omdat zijn aanhangers het grootste deel van de humanitaire goederen stelen met hulp van bevriende bendes. (…) Hamas steelt het voedsel van de inwoners; het is hun enige bron van inkomsten. (…) Ze nemen wraak op dissidenten en critici; ze breken hun benen, sommigen worden gedood of naar afgelegen wijken van de stad gebracht.” Waarom moet een deel van de pers, tegenover de terreur van deze moordenaars, hetzelfde blind zijn als bij de intocht van de Rode Khmer in Phnom Penh in 1975?
In de zomer van 1982 viel het Israëlische leger, in oorlog met de PLO, Libanon binnen. Enkele weken later zag een groot deel van de westerse pers in het belegerde Beiroet een herhaling van de strijd in het getto van Warschau. In die zomer van 1982 kwamen de dodentallen die in de media circuleerden uitsluitend van de PLO, zonder kritische verificatie, terwijl later bleek dat deze cijfers allemaal overdreven en onjuist waren. Precies zoals nu met de cijfers van Hamas, “gesteund door de internationale zender Al Jazeera, die onder controle staat van Qatar”, aldus Moumen al-Natour. “(…) Mensen die in Gaza een andere mening hebben, zijn bang.”
Diezelfde zomer 1982 protesteerde extreemlinks in de Duitse straten tegen “de definitieve oplossing van de Palestijnse kwestie”. In Parijs hekelde Pierre Mendès France het “sensationalisme” (sic) van een pers die volgens hem alleen het woord “genocide” in de pen had, terwijl de historicus Léon Poliakov de litanie opsomde van vergelijkingen van Menahem Begin en generaal Sharon met Hitler en Goebbels. In diezelfde zomer publiceerde de krant Libération een hoofdartikel waarin de Israëli’s met de nazi’s werden vergeleken, en verweet een Franse televisiejournalist de grootrabbijn van Frankrijk, René-Samuel Sirat, dat hij “het bloedbad van Palestijnse vrouwen en kinderen goedkeurde”. In Le Monde verklaarde ten slotte een gerenommeerd Frans jurist dat “het tijd is dat er een einde komt aan deze genocide en deze apocalyps die de mensheid te schande maakt, en dat het Westen zich herinnert dat de verrezen Nazarener, met zijn onuitwisbare wonden, wel degelijk Palestijn is.”
Het gaat hier om het bestaan zelf van deze staat – de enige Joodse staat ter wereld – die bijna de helft van alle Joden op aarde herbergt, het toevluchtsoord van 400.000 overlevenden van de Shoah en van meer dan 750.000 Joden uit Arabische landen, die vroeg of laat, gedwongen of vrijwillig, hun geboorteland moesten verlaten. Want naast zijn diepe legitimiteit – die voortkomt uit een strijd tot dekolonisatie van de Joodse bestaansconditie via de wedergeboorte van de Hebreeuwse natie op zijn land en in zijn taal – was de staat Israël ook de toevlucht van honderdduizenden mannen en vrouwen die werden verdreven door de genocidale wreedheid van een deel van Europa, of door de Arabische staten die, eenmaal onafhankelijk en nadat zij van de islam een staatsgodsdienst hadden gemaakt, hun Joodse gemeenschappen steeds verder tot vertrek dwongen, met als gevolg de massale onteigening van hun bezittingen.
“Ik kan niet vergeten dat de Joden eeuwenlang tot de vervolgden en onderdrukten behoorden, dat zes miljoen Joden nog maar kort geleden zijn uitgeroeid,” schreef Herbert Marcuse in 1972. “Als er uiteindelijk een ruimte wordt gecreëerd waar deze mensen niet langer bang hoeven te zijn voor vervolging of onderdrukking, dan ben ik verplicht dit doel te delen.”
En wat betreft degenen die vandaag van Palestina een heilige zaak maken: zij bereiden toekomstige tragedies voor en zullen over vijftig jaar gemakkelijk berouw kunnen veinzen, zoals de berouwvolle communisten die, geconfronteerd met de concentratiekampcatastrofe, stamelen dat zij “het zo niet hadden gewild”. Maar dan zal het te laat zijn. Het terrein zal dan zijn voorbereid om een einde te maken aan deze piepkleine Joodse staat met zijn zo kleine bevolking (nauwelijks 10 miljoen inwoners, van wie bijna een derde niet deelneemt aan de verdediging van het land). Wie kan geloven dat dit kleine scheepje, alleen tegenover allen, oneindig lang weerstand kan bieden?
De terugkerende en bijna obsessieve beschuldigingen tegen een staat Israël die tot genocidaal wordt verklaard, hebben de plaats ingenomen van het vroegere demoniserende beeld van het paria-volk. Ooit beschuldigd van het vergiftigen van waterputten, het stelen van het bloed van christelijke kinderen en het verspreiden van de pest, wordt het vandaag beschuldigd van uithongering en genocide, met dezelfde obsessie: het gisteren uitsluiten uit de menselijke soort, het vandaag uitsluiten uit de gemeenschap van naties. Het is uit dergelijke toespraken dat de rampen van morgen worden geweven. Daarom gaat het vandaag, voorbij het Israëlische beleid dat wordt gevoerd, voor ons om het opnieuw bevestigen van dit niet-onderhandelbare en onweerlegbare principe: het onvervreemdbare recht op het bestaan van de staat Israël.
G.B.
Historicus, Georges Bensoussan is onder meer auteur van Een intellectuele en politieke geschiedenis van het zionisme, 1860-1940 (Fayard, 2002) en De oorsprongen van het Israëlisch-Arabische conflict, 1870-1950 (Presses universitaires de France, 2023).



Vervanging F16