email 297633 960 720 gray text sleepers02

dwarsliggers

Dwarsliggers ... noodzakelijk om het rechte spoor te houden
lees meer over onze filosofie

gebeten om te weten DRIE

Over kwetsen en haten

DALL E Kerstessay over kwetsen en hatenKerstessay - Excursie in het menselijk beleven.  Denkend aan Palestina.

 

 

Inleiding

Over het conflict tussen de Palestijnen en de Israëlische staat werd en wordt erg veel geschreven.

Het is in dit essay niet de bedoeling om nog eens een historische, politieke, religieuze of ideologische verhandeling extra te presenteren.

Dit essay tracht één aspect te belichten dat oer-menselijk is en daarom bij elk conflict meespeelt. Het kan bijdragen tot een dieper of tenminste bijkomend inzicht in de gebeurtenissen in het Midden-Oosten.

De leidende gedachte is dat de concrete daden in Palestina niet voldoende verklaard kunnen worden vanuit uiteenzettingen over historische of politieke toestanden en gebeurtenissen alleen. Het idee is dat de felheid van wat zich afspeelt ook moet geplaatst worden in het licht van een universeel menselijk beleven.

Tot dat universeel menselijk beleven hoort voor zowat iedereen onder ons het doorworstelen van pijnlijke belevingen, dat is: belevingen die het zelfbeeld van de persoon betreffen en die in het ergste geval dat zelfbeeld voorgoed kunnen beschadigen. Dat noemen we hier kwetsen.

Ik hoop hiermee de aandacht te kunnen vestigen op een dimensie in het menselijk bestaan die de brutaliteit, de hardheid, de boosaardigheid in ook de gebeurtenissen in Palestina mee verklaart.

Ik zal eerst ingaan op ervaringen die enige verwantschap met het kwetsen vertonen, om daarna dieper in te gaan op het fenomeen van het kwetsen van mensen in de betekenis die ik het hier geef.

Wat volgt steunt op mijn boek De gekwetste mens, verschenen bij Damon (Noordelijke Nederlanden) in 2006.

Spotten, beledigen en vernederen

Misschien moeten we ons eerst eens afvragen of we vaak niet te lichtvaardig spotten. Het etymologisch woordenboek brengt het woord spotten (ook) in verband met het Latijnse despuere. Dat woord werd gevormd uit de vorm de, wat neerwaarts betekent en spuere dat verwijst naar spuwen.

Spotten is dus een bewuste daad die er soms wel degelijk op is gericht om iemand in zijn waardigheid te treffen. Wie op iemand spuwt, wil de ander bewust omlaaghalen. Men weigert het respect waarop ieder mens principieel recht heeft. Iemand bespotten duidt erop dat men de bespotte persoon minder hoog acht dan hij zelf.

Spuere of spuwen verwijst naar sputum, spuwsel dat met misprijzen op de grond wordt gedeponeerd.

Al bestaat er uiteraard ook lichte spot, zoals in de wereld van de cartoonisten, toch is spotten niet altijd zo’n onschuldige bezigheid.

Beledigen en vernederen zijn verwante begrippen

Beledigen bevat als stam leed. Het woord geldt als synoniem voor krenken, waarvan de etymologische betekenis verwijst naar iemand zwak maken - vergelijk het Duitse krank.

Beledigen is niet zomaar onheus behandelen of bespotten.

Belediging gaat rechtstreeks over iemands reputatie. Omdat het gaat om de faam die iemand bij de anderen heeft, wordt de beledigde doorgaans niet getroffen in zijn diepste zelfbeleving, zijn ziel, zullen we voor het gemak maar zeggen. De getroffene kan immers zijn zelfbeeld hoog houden: dat verklaart juist zijn reactie die best fel kan zijn. Wie zich beledigd voelt, acht zichzelf nog altijd hoog.

Iets anders is vernederen. Vernederen kan moeilijk anders worden opgevat dan als omlaag halen (ver-neder-ren), het uit de rangen der volwaardigen weg (proberen te) duwen. Er spreekt hierbij een element van vernietiging. Reputatieschade kan tijdelijk of beperkt zijn. Vernietigen is blijvend en volledig. Wat vernietigd werd, is voorgoed weg. Vernederen beoogt, alles wel beschouwd, het scheppen van een blijvende nieuwe onderlinge verhouding, een nieuwe toestand, waarbij de vernederde in rangorde daalt. Maar die verlaging van rangorde lukt niet. Als iemand zich vernederd voelt, is er nog altijd een positief zelfbeeld aanwezig. Anders voelt men zich niet vernederd.

Daar zit het verschil met gekwetst worden: dan wordt het zelfbeeld wél effectief aangetast.

Laten we daar even op doorgaan.

De oorlog van Amerika in Irak

Het gaat om een pijnlijk optreden van Amerikaanse militairen tijdens de oorlog in Irak in 2004.

Begin mei 2004 werden in de V.S. een aantal officieren uit het leger gezet nadat was gebleken dat ze naast andere onfrisse praktijken hun Irakese gevangenen naakt onder een kap met hun gezicht naar de muur gekeerd te kijk hadden gezet. De Amerikaanse militairen hadden duidelijk de bedoeling hun Irakese gevangen te vernederen: door ze van hun kleding te ontdoen ontnamen ze hen daarnaast ook elk teken van hun militaire waardigheid.

Ze moesten een vernederende behandeling ondergaan waar ze niet aan onderuit konden, omdat ze voor de Amerikaanse overmacht moesten zwichten. Zo verloren de Irakezen in hun eigen ogen prestige, want hun militaire voornaamheid werd hen brutaal afgepakt. Het werd hen duidelijk gemaakt dat ze niet die trotse soldaten waren, maar slechts zielige, nietige menselijke wezens die, herleid tot hun kern, niets bijzonders voorstellen.

Het vraagt wel heel weinig verbeeldingskracht om zich hun woede voor te stellen. Als ze ook maar één ogenblik de kans hadden gehad om hun Amerikaanse pestkoppen hetzelfde lot te laten ondergaan, zouden ze geen seconde geaarzeld hebben. De misselijke actie van de Amerikanen miste dus elk doel.

Waren die Irakezen ook in hun ziel gebroken? We zullen dat nooit weten, maar hoogstwaarschijnlijk waren ze dat niet. Dan zouden ze niet over wraak dromen. Zolang mensen blijven dromen over wraak, zijn ze immers niet gebroken.

Meer zelfs: voor zover dit beeld hun militaire collega’s in Irak kon bereiken, konden ze op alle denkbare sympathie rekenen. Bovendien werd de beroving van hun eer in de hele islamitische wereld als buitengewoon onterecht ervaren. Misschien konden ze zelfs op eerbetoon rekenen.

Hun zelfbeeld werd niet aangetast – misschien zelfs wel integendeel!

Maar kwetsen is iets anders: men ontrooft iemand iets dat hij nooit meer kan terugkrijgen. Het is een soort diefstal en dan nog van iets dat heel dierbaar is. Hoe meer de kwetsing betrekking heeft op wezenlijke, essentiële, dierbaar geachte eigenschappen van het slachtoffer, hoe dieper ze kwetst. Het etymologisch woordenboek verwijst naar quessen, dat zoiets betekent als verwonden, beschadigen, dus: het ontnemen van iets wat de betrokkene toebehoort.

Wie zich beledigd, bespot of vernederd voelt, reageert omdat er iets over hem gezegd wordt, waarvan hij weet dat het onwaar is, ook al voelt het vreselijk aan. Maar in het Iraakse geval was er een totaal onevenwichtige machtsbalans. De Iraakse soldaten kon er inderdaad niet tegenop.  Zelfs al waren de soldaten zelf niet in hun diepste wezen getroffen: voor het Iraakse volk lag dat helemaal anders. Dat liep het risico in het contact met andere volkeren bij herhaling aan hun militaire minderwaardigheid herinnerd te worden. Er stak waarheid in de beleving van (militaire) minderwaardigheid. Er werd het Iraakse volk dus iets ontnomen, nl. de geruststelling dat men de gelijke is van anderen. Dat schept onzekerheid en die is moeilijk uit te wissen.

Existentieel Lebensraum

Hierbij stoten we op een essentieel kenmerk van het kwetsen van mensen. Wie vernederd is of beledigd, bezit nog altijd macht. Hij kan nog altijd terugslaan en hij is ervan overtuigd dat dit zijn recht is, omdat hij weet dat hij onterecht onheus werd behandeld. Hij kan zich voornemen zijn kans af te wachten om dan de rekening te presenteren. Maar als wat brutaal geëtaleerd werd waar is, kan dat niet ontkend worden en schept het dus volslagen machteloosheid. Zo iemand wacht zijn kans niet af: die komt toch nooit meer.

Die machteloosheid is een centrale dimensie in het aanvoelen van mensen die zich gekwetst voelen. Men is “gebroken”. En repareren gaat vaak gewoon niet meer.

Hoe komt zoiets toch allemaal?

Het is van groot belang in te zien dat mensen niet neutraal zijn tegenover elkaar. Voor de mens en voor alle levende wezens is het leven altijd ook een struggle for life. Voor een eigen plaatsje onder de zon. En soortgenoten zijn altijd tot op zekere hoogte concurrenten.

Dat is op vele manieren duidelijk: we solliciteren voor dezelfde baan; we azen op dezelfde promotie; we willen minstens evenveel verdienen als collega’s. Op talloze terreinen zijn mensen concurrenten van elkaar. Vaak is die concurrentie eerder verdoken: ze komt tot uiting in kleding, het huis dat men bewoont, in de auto waarmee men rijdt. Maar altijd zien we hoe mensen zich met elkaar vergelijken. Dat loopt meestal niet op brutale confrontatie uit, maar soms komt dat het er wel van.

Welnu: de mens wordt gekenmerkt door het feit dat hij zich niet alleen in een fysische concurrentie moet handhaven. De relaties onder mensen zijn meestal veel subtieler: ze spelen zich af op het niveau van de voorstellingen, de emoties en de wederzijdse waardering. Mensen ‘bestaan’ niet zomaar: ze zijn iemand. Men noemt dat ‘existentie’. Het woord komt uit het Latijnse existere, dat zoiets als “tevoorschijn komen” betekent. Existeren is dus een volwaardige plaats opnemen onder soortgenoten. Niet omdat men een hoge functie bekleedt, maar gewoon omdat men een volwaardig lid van de menselijke soort is. Mensen willen altijd de erkenning van hun volwaardigheid. Het sociale leven is, tot spijt van wie het benijdt, ook altijd een strijd om die existentie, noem het existentieel Lebensraum, de sociale levensruimte waarin men de erkenning van zijn volwaardigheid krijgt.

Een mens heeft dat nodig om in zichzelf te kunnen blijven geloven.

Dit is het niveau waarop het kwetsen van mensen plaats heeft. Wie beledigd wordt, bespot of vernederd, bezit nog altijd zijn eigen waardigheid, ook al heeft hij die even niet kunnen verdedigen.

Maar bij het kwetsen breekt er iets. Er verandert iets fundamenteel en voorgoed: men is zijn eigen autoriteit in het Lebensraum kwijt. Vanaf dan is zo iemand in zijn zelfbeeld niet langer een volwaardig lid van de menselijke soort. Hij zit voorgoed op de tweede rang. En dat wringt en blijft wringen.

Kwetsen van een collectiviteit

Laten we even teruggaan naar het verhaal van de Amerikaanse pesters die verslagen Irakese soldaten naakt te kijken zetten.

De Irakese soldaten hebben zich machteloos moeten laten onthullen – in de meest letterlijke zin zelfs - maar die onthulling was voor alle slachtoffers precies dezelfde. Zodoende bleven ze voor elkaar en in elkaars beleving gelijken en de Amerikanen gemene pesters. De Irakese soldaten waren dus niet gekwetst, alleen zwaar beledigd en reken maar dat ze vol woede hoopten de Amerikanen ooit met gelijke munt terug te betalen. Mensen die zo voelen, zijn helemaal niet gebroken – vaak integendeel.

Als soldaten werd de Irakese soldaten niets ontnomen, ook hun zelfbeeld niet. Maar wel werd, zoals al gezegd, het zelfbeeld van het Irakese volk aangetast.  Dat werd van zijn eer beroofd, omdat het in de vergelijking met buurvolkeren zijn eer niet hoog heeft kunnen houden.

Er zit dus een deuk in dat collectieve zelfbeeld. Dat is voortaan niet langer ongecompliceerd.

De miserie is vooral dat die “deuk” nog wijst op iets dat waar is: het Irakese volk was effectief de mindere en heeft niet kunnen verhinderen dat haar soldaten vernederend behandeld werden.

Tegen de waarheid bestaat geen verweer, want het is gewoon …waar. Waartegen men zich niet kan verweren, moet men machteloos ondergaan. Wie iets machteloosheid moet ondergaan, moet in de andere zijn meerdere erkennen. Men hoort er niet meer bij…

Dit laat bovendien zien dat wat misdaan werd aan slechts enkele leden van een gemeenschap over een hele gemeenschap kan uitwaaieren.

De reactie op kwetsing

Hoe reageren mensen als ze gekwetst worden? Vernederd of beledigd worden is niet mis, maar kwetsen: dat is andere peper…

Algemeen genomen zijn er twee vormen van reactie. De eerste is een of andere vorm van nihilisme. De andere is haat.

Nihilisme is, zoals het woord zegt: “tot niets maken”. Nihiliseren. Wie gekwetst werd kan de oorzaak van zijn morele pijn trachten te nihiliseren, voor het oog doen verdwijnen. Daardoor kan men in zichzelf blijven geloven – of dat toch proberen, want iedereen voelt aan dat hier een dosis zelfbedrog in het spel is.

Daar bestaan voorbeelden genoeg van. Veel mensen gaan zich te buiten aan wat genoemd kan worden: zacht nihilisme. Ze gaan niet in op wat moeilijk of lastig is; ze vergenoegen zich met sport en spel en doen hun uiterste best om met het lastige van het leven niet geconfronteerd te worden. Of nog: men kan er niet meer over spreken, al is dat eerder doen alsof. Men mijdt het contact met de oorzaak van de kwetsing, men ontwijkt wat steekt, datgene wat altijd maar blijft knagen.

Voor een stuk helpt dit om het verschijnsel van het frivool amusement te verklaren.

Men hoeft zich dan niet bezig te houden met dat knagende pijnlijke gezeur vanbinnen.

In werkelijkheid laat men zich non-stop bedotten. Eigenlijk weet men best dat best wel, maar men ontwijkt het toch maar liever. Natuurlijk is dit hypocriet gedrag. Het is onoprecht gedrag omdat men best wel weet dat men eigenlijk bang is en de confrontatie met wat storend of pijnlijk is niet aandurft of denkt aan te kunnen. Dat is “nihiliseren”.

Dat gedrag vindt men nogal eens bij jongeren. Ze scheuren tegen veel te hoge snelheid door een woonwijk, goed wetend dat ze daarmee ver over de rand van het fatsoen gaan. Maar ze doen het, tenminste zolang er nergens echt gevaar dreigt of men zich in de groep voldoende veilig voelt. Het is alsof ze uit wrok of wraak “erop willen kloppen”, zonder zelf de confrontatie voluit aan te gaan. Zo geven ze zichzelf een voorgewende waardigheid, waarvan ze eigenlijk wel weten dat ze niet bestaat of waar ze aan twijfelen. Daarom moet men dit stoere gedoe vaak genoeg herhalen.

Die problematiek kan ook bij allochtonen spelen. Velen onder hen slaan (figuurlijk) op de vlucht of zoeken steun bij elkaar, maar gaan de confrontatie met het echte probleem niet aan: het werken aan hun eigen integratie. Daar moet je namelijk aan werken: integratie komt niet vanzelf. Vaak is het probleem dat ze zelf niet uit de knoop raken over de eisen van hun herkomst en de eisen van de nieuwe maatschappij. Ze kunnen dan beginnen te schoppen, want neer komt op het willen nihiliseren van wat hen dwars zit.

Al bij als is dat nog relatief onschuldig.

Maar er is een reactie op het gekwetst worden die een stap verder gaat: de haat.

Het kenmerk van het haten is dat men de tegenstander, de vijand, dood wenst. Men wil de bron van wat kwetst definitief vernietigen. Zolang de dader leeft, knaagt de pijn van de kwetsing, brandt de frustratie, vlamt het besef van de persoonlijke mishandeling telkens weer op wanneer een exemplaar verschijnt uit de groep waartoe de dader behoort. Dit soort gedrag is niet vatbaar voor rede en begrip. Men wil geen gesprek, men wil de vernietiging van wat men als de diepe beschadiging van zijn getormenteerde ziel ziet. De dood van de schuldige: dat is het enige wat nog voldoening kan geven.

Het probleem is dat àls die dader inderdaad dood is, de herinnering aan wat ooit is gebeurd helemaal niet verdwijnt. De essentie van kwetsen is immers een machteloos moeten ondergaan van een existentiële sociale vernedering. Door één van de termen van een vergelijking weg te halen, verdwijnt niet de ervaring die men ooit heeft moeten beleven.

Toepassing op de verhoudingen in Palestina

Haat kan daarom van de ene generatie op de andere worden overgedragen, ook al lijken de objectieve redenen al lang verdwenen. Immers: voor de mens geldt niet wat er is, maar wat hij dénkt dat er is.

Laten we ook voor ogen houden dat dergelijke haat zich als gevolg van massale kwetsing over een hele maatschappij kan verspreiden.

De uitdrukking zegt: ‘verteerd worden door haat.’  Wat verteerd werd, is er niet meer.  Het is vernietigd. In dit geval wordt de gekwetste verteerd en dat is nu net het onrechtvaardige: het zou de dader moeten zijn die “verteerd” wordt. In dit hele verhaal speelt bijgevolg een sterk gevoel van onrechtvaardigheid mee.

De haat jegens leden van de betrokken groep wordt zodoende écht mateloos, want onmacht wordt gemengd met onrechtvaardigheidsgevoelens. Haat wordt een deel van de diepste existentiële levenservaring. Men kàn niet anders meer dan haten. Bovendien blijft die haat leven, omdat de herinnering aan het verleden maar niet uitgewist raakt, zodat het ‘verteren’ nooit ophoudt.

En zelfs als niet echt kwetsen aan de orde is, maar ‘slechts’ vernederen of beledigen, dan nog kunnen collectieve reacties onstuimig zijn. Want niemand neemt zomaar genoegen met een aanval op zijn eigen zelfbeeld. Maar bij werkelijk zielekwetsen wordt de zaak uitzichtloos.

Natuurlijk wordt hiermee niet het hele Palestijnse probleem verklaard. Maar we zien hoe fel en redeloos deze wederzijdse gevoelens kunnen zijn en het doet begrijpen dat er een onstilbaar verlangen leeft om ‘tegenstanders’ te doden, desnoods door in blinde woede onschuldige machteloze mensen te treffen omdat men die associeert met de “schuldige” groep, zoals we in Palestina zagen.

Besluit

Als dat al mogelijk zou zijn, is het hier niet de plaats om schuldigen aan te wijzen. Dat is ook niet de bedoeling van deze excursie in het menselijk beleven.

Wel zou ik voorstellen dat columnschrijvers, journalisten of mensen die reageren op uitspraken of teksten waar dan ook, altijd het bovenstaande in gedachten zouden houden.

Ik geloof namelijk dat wie hierover goed nadenkt, makkelijker afziet van felle, vaak onredelijke reacties over wat ver weg van ons gebeurt.

Als mensen onder elkaar weten we namelijk gewoon niet hoe we zelf zouden reageren als ons dergelijke dingen zouden overkomen.

Laten we dus vooral bedachtzaam zijn.

 

DALL E Kerstessay over kwetsen en haten