Bedenkingen over de dieptepsychologie van Europa. Voor wie onze Europese normen en waarden écht tellen.
Bij het morrelen in je bibliotheek kan het gebeuren dat je op een boek stoot, waarvan je het bestaan vergeten was. Dat was het geval met het boek Uitgestelde bevrijding. Volkeren van oostelijk Europa na de Tweede wereldoorlog van Prof. Zdenĕk Radslav Dittrich (overleden in 2015). Als je zijn naam hoort zou je het niet zeggen maar hij was een hele carrière lang een verdienstelijk historicus aan de universiteit van Utrecht. Als vluchteling van de Praagse opstand in 1948 legde hij zich toe op wat hij “Oost-Europa” noemde.
In het boek dat nu voorligt[1] is een uiterst interessant hoofdstuk opgenomen onder de titel Servus (‘slaaf’ of ‘dienaar’). Wie zich de lessen Latijn herinnert, begrijpt meteen waarover het gaat.
Dittrich stelt dat het niet alleen de decennialange communistische betutteling is die het de betrokken volkeren heel moeilijk maakt een leven op te bouwen dat, gemeten naar de vrijheidsgraden in West-Europa, met dat laatste te vergelijken valt.
Er is namelijk een geconditioneerde reflex ontstaan die heel diep in het verleden is geworteld en een van de hoofdoorzaken is waarom het voor de betrokken bevolking uiterst moeilijk is om de aansluiting bij West-Europa te vinden.
De kern van het verhaal is dat de bevolking in die streken heel lang, tot diep in de zestiende eeuw, blijvend gebonden was aan het landgoed van de bezittende heer. De boeren, die het overgrote deel van de landelijke bevolking uitmaakten, waren m.a.w. lijfeigenen. In de door de Ottomanen bezette gebieden in de Balkan was de situatie zo mogelijk nog erger, want de niet-islamitische bevolking kon maatschappelijk niet verder komen dan een onderdanige tweederangspositie.
Alhoewel sommige heren de boeren op een vaderlijke wijze probeerden te bejegenen en zelfs aan echte filantropie deden, werd de hele maatschappij gekenmerkt door een diepgaande ondergeschiktheid van de boerenbevolking aan de heren.[2]
“Wat echter voor de toekomst het meest belastend zou blijken, was de nauwe persoonlijke band die de lijfeigene aan zijn meester ketende. Immers, het domein was niet alleen een economische eenheid, maar ook een bestuurlijke, fiscale en justitiële instantie, een lagere overheid die als intermediair tussen de landsheerlijke organen en de boerenbevolking stond.”[3]
In de 18e eeuw gingen de heersers gaandeweg de rechtspositie van de plattelandsbevolking verbeteren. Zo werd op vele plaatsen het lijfeigenschap officieel afgeschaft – al duurde dat in Rusland tot 1861.
Maar daarmee was de economische en politieke emancipatie nog niet voltrokken en duurde de periode van het feitelijk patrimonialisme[4] nog veel langer.
Dan komt een voor iemand als Dittrich opvallend, maar voor de meesten onder ons wellicht al lang onder het stof liggend inzicht voor de dag: ”Zo kan men stellen dat de periode van werkelijke boerenvrijheid tussen het patrimonialisme van weleer en de nieuwe onderworpenheid onder het communistisch kolchozenstelsel in oostelijk Europa slechts enkele decennia heeft geduurd. Na deze bedroevende vaststelling komt de vraag aan de orde welke psychologische dieptewerking de eeuwenlange afhankelijkheid van het merendeel van de oosteuropese bevolking heeft veroorzaakt.” [5]
Dat is een cruciale zaak, vraag deze houding speelt ook in de politiek en bij verkiezingen tot op de huidige dag een rol. Volgens de auteur gaat Roemenië in dit opzicht het verst, en vele mensen herinneren zich ook vandaag nog het bewind van Iliescu, waarbij de bevolking bij een daverende verkiezingsoverwinning kennelijk terugviel in de veilige slaafse onderdanigheid die ze sinds eeuwen had moeten praktiseren.
Het patrimonialisme heeft dus lang na de officiële afschaffing ervan zijn stempel gedrukt op de relaties van sociaal ongelijke partners, een relatie die men als patronage en cliëntelisme pleegt aan de duiden.
Kortom: de volkeren van Oost-Europa zijn door de erfenis van eeuwen patrimoniale onderdanigheid getekend en hun politiek gedrag van vandaag valt zonder dit inzicht niet te begrijpen.
Deze volkeren hebben hun eigen vorm van individualisme ontwikkeld. Ze hebben geleerd héél voorzichtig te zijn met buren en vrienden, omdat ze ondervonden hebben dat het vaak gevaarlijk is mensen in vertrouwen te nemen. Aan de andere kant hebben ze een groot besef van het collectief gevaar ontwikkeld. Het doet denken aan de bezetting hier ten lande van 1940 tot 1945.
De methode die in deze omstandigheden de beste levenskansen biedt is een op zichzelf teruggetrokken gedrag en een naar buiten uit conformistische levenswijze. Openbaar optreden vergt in dergelijke levensomstandigheden immers heel veel persoonlijke moed en die kun je je vaak niet permitteren als je een gezin hebt.
De historische psycho-sociale ontwikkeling van Oost-Europa heeft dus een andere vorm aangenomen dan in het Westen. Daar leeft er weliswaar een brood- en spelencultuur – die wordt ook bewust in stand gehouden -, maar mensen gaan en staan waar ze willen, ze wonen op een eigenzinnige manier en hoewel de meesten elke overheid wantrouwen – vooral om haar hebzucht -, zijn ze niet beschroomd om diezelfde overheid openlijk te bekritiseren[6].
Wat bij ons heerst is niet die slaafse onderdanigheid, die in het Oosten doorheen eeuwen patrimoniaal leven tot ontwikkeling kwam en als het ware een tweede natuur is geworden, maar een cultuur van bewuste zelfzucht, vaak echt egoïsme, dat in een overheid vooral een rover ziet.
Als Dittrich ook maar enigszins gelijk heeft, dan valt Europa in twee blokken uit elkaar, waarvan de sociale psychologie doorheen de eeuwen ver uit elkaar is gegroeid – veel meer nog dan wat de Duitser Heinrich Heine tijdens zijn verblijf in Frankrijk ervoer en het nodig vond een boek te schrijven om de Fransen de Duitse ziel uit te leggen.
Dittrichs boek verscheen een goede generatie geleden, een te korte tijdspanne om een dergelijke diepliggende mentaliteit ten gronde te veranderen.
Wat in Ditrichs verhaal eveneens opvalt is de vanzelfsprekendheid dat de Russische bevolking een in grote mate gelijkaardige psychologie heeft ontwikkeld als de volkeren van Midden-Europa. Wie zijn verhaal leest, is geneigd dezelfde conclusie te trekken.
De vraag die zich nu opdringt is die over de verhouding tussen wat tegenwoordig “De EU” heet en het hoger beschreven oostelijk deel van Europa.
De EU is vooral de politieke, economische en sociale veruitwendiging van de in West-Europa gegroeide sociale psychologie.[7]
Maar diezelfde EU wil nu net een belangrijk deel van de volkeren die de hoger beschreven door historische onderdanigheid getekende psychologie voeren in zich opnemen. Hoewel Rusland door dezelfde psychische kenmerken is getekend als de volkeren die de EU als haar machtsgebied beschouwt, wordt Rusland evenwel uitgesloten.
Kijken we even naar landen zoals Moldavië (het oude Bessarabië), het door Dittrich als typisch voorbeeld van onderdanigheid vernoemde Roemenië, het door Ottomaanse bezetting getekende Bosnië of het - eveneens kandidaat-lid van de EU – door velen als bandietenstaat beschouwde Albanië.[8]
Al die volkeren- waarvan de laatst genoemde bovenop nog eens de Ottomaanse overheersing hebben moeten integreren – zijn diep getekend door de hoger beschreven patrimoniale onderdanigheid.
De vraag die zich onontkoombaar opdringt is deze: is het überhaupt wel mogelijk om zoveel verscheidenheid in één strak georganiseerde structuur op te nemen?
En als men dat dan toch wil doen, dringt zich dan niet een gedragswijze op, die op het randje van een dictatuur schuurt?
Moet er derhalve niet aan een totaal andere structuur gedacht worden, die niets heeft van een modern genoemde monolithische staat (zie noot 10) waarin de volkeren tot machteloze provincies werden herleid, maar die veeleer een soort coördinerende instantie is, die een conglomeraat van zelfstandige en zelfbesturende volkeren een helpende hand toesteekt?
Deze eenvoudige beschouwingen dringen twee conclusies op, die de heersende EU-elites kennelijk niet onder ogen willen zien:
Ten eerste. Het Europa dat de elites vandaag voor ogen staat: bestaat dat wel? Zwemmen de genoemde elites dus niet in de ijle lucht over een mensenmassa heen, waarvan zij de ware diversiteit niet bevatten?
Ten tweede. Bouwt de elite die thans het bevel voert niet een steeds groter wordende massa aan psychisch ongenoegen op, die uiteindelijk tot uitbarsting kan komen – op een enigszins vergelijkbare manier als de blanke overheersing van originele inheemse volkeren op zovele plaatsen in de wereld na lange tijd tot uitbarsting leidt?
De gevolgen daarvan zouden voor het continent desastreus kunnen zijn.
Kort gezegd: moet de EU niet eerder met andere dingen bezig zijn, dan vandaag het geval is?
Zo bezien moeten we vrezen dat de EU-nomenclatura[9], opgesloten in haar eigen technocratische bubbel, geen oog heeft voor wat er werkelijk onder de bevolking leeft en altijd maar verder doorgraaft in haar eigen agenda – gaande van de strijd tegen ‘klimaatverandering’ en ‘stikstof’ tot de oorlog tegen Rusland - en bijgevolg zichzelf geen oog gunt voor de kritische signalen vanuit de bevolking, die ze integendeel met censurerende maatregelen het zwijgen wil opleggen.
We moeten ons zorgen maken over deze gang van zaken. Zorgelijk is immers dat niemand oor schijnt te hebben voor de nochtans door eigen ervaring getekende woorden van een intelligente man, die als Tsjechisch vluchteling het verschil in dieptepsychologie met het Westen heeft ervaren[10] [11].
De echte uitdaging voor Europa als geheel is niet Rusland- integendeel zelfs - maar het door de eeuwen gevormde verschil in de dieptepsychologie van de volkeren. Tenminste: als men echt Europees wil denken.
Bovendien: als mensen zoals Paul Frissen gelijk hebben en de moderne staat, zoals die zich tot op vandaag heeft ontwikkeld een postmoderne evolutie ondergaat zoals hij in zijn “De virtuele staat” beschrijft, dan komt bij dit hele verhaal nog een een sterk complicerende dimensie bovenop want dan wordt die machtige EU-staat in werkelijkheid veeleer een reus op lemen voeten.(zie noot 11)

Generated with GPT Image 2 · Create and edit images in Abacus AI Studio
[1] Dittrich schreef uiteraard meerdere teksten en werkte aan andere mee, zoals Knoeien met het verleden.
Het hier genoemde boek verscheen in 1991 bij Aula.
[2] In de steden was de toestand iets beter, maar nog steeds niet met die van West-Europa vergelijkbaar. In Oost-Europa bestond er bijna geen geschiedenis van actieve gilden. Cfr de rol van de gilden in de Slag van de Gulden Sporen, al in 1302. Hoe belangrijk dat verschil is, zien we bij de gebeurtenissen in Polen, toen Lech Walesa actief was.
[3] O.c. blz. 17.
[4] Patrimonialisme: de toestand van algehele afhankelijkheid van het territoriaal en economisch patrimonium van de heerser. Ook de mensen met hun vee behoorden integraal tot het patrimonium van de heer. Het voortduren van het feitelijk lijfeigenschap is één van de oorzaken van de revolutie in Rusland.
[5] O.c. blz. 18.
[6] Wie zich daarvan wil vergewissen kan de lezersbrieven nalezen.
[7] Dat is zelfs te merken in het huidige Duitsland, waarvan het westen al snel deel ging uitmaken van de toenmalige EEG, terwijl het oosten nog functioneerde als de Duitse Democratische Republiek, dus onder de communistische voogdij en in de lijn van de geschiedenis. De AfD, vaak als racistisch omschreven, blijkt vooral een beweging in oostelijk Duitsland te zijn, een opmerkelijke zaak.
[8] Niet alle volkeren staan even ver op de schaal van de democratische ontwikkeling.
[9] In de betekenis die Voslenski daaraan geeft.
[10] De door Dittrich beschreven toestanden worden ook aangehaald in de geschriften van de Russische schrijver Alexander Ivanovitsj Herzen, die stelde dat er “een volstrekte tegenstelling bestaat tussen zijn land en de relatief liberale situatie in West-Europa”. Geciteerd uit Isaiah Berlin, Russische denkers, Synopsis, 1981, blz. 34. Tot de kringen van Herzen behoorde ook Michail Alexandrovitsj Bakoenin. Bakoenin was lange tijd panslavist: de verbondenheid van alle slavische volkeren. Zie ook wikipedia.
[11] Politiek en bureaucratie grabbelen volgens Frissen in een steeds porstmoderner en dubbelzinniger wordende samenleving waarin de veranderingen steeds weer de politiek een stapje voor zijn, zodat de idee dat de politiek de samenleving moet sturen romantiek is. Dat dwingt tot schaalverkleining en het kort op de bal spelen, in een dubbele beweging die de mundiale schaalvergroting koppelt aan de fragmentatie van de hedendaagse burgerlijke samenleving. Zie voorts Paul Frissen, De virtuele staat. Academic Service, 1996.
Vervanging F16