islam christenGastauteur Serge Desouter neemt u mee in een analyse van de historische omgang van het christendom met de immigratie.


Bijbel en vreemdelingen

Wie wordt in de Bijbel als ‘vreemdeling’ beschouwd? En wat verstaat men daaronder? Als er al een rode draad door alle vreemdelingteksten heen loopt, dan is dat dat vreemdelingen er niet goed vanaf komen. Barmhartigheid en mededogen zijn nog wat anders dan gelijkberechtiging. Multicultureel is de Bijbel helemaal niet. Want ook dat is belangrijk om weten bij het citeren van Bijbelteksten.

Net als bij het Joodse volk moet je als vreemdeling ook wel bereid zijn om een nieuw land te aanvaarden. JHWH maakte de weg vrij voor de Exodus uit Egypte, maar het volk moest wel zelf de eerste stappen zetten op weg naar de vrijheid. Met andere woorden: het moest zelf kiezen om de farao los te laten en om hem zeker niet mee te zeulen.

In het boek Numeri (Bemidbar 19,9) lezen we dat Aäron[1] (samen met Mozes en de ‘kinderen Israëls’) de wacht hielden bij het heiligdom, in dit geval de Tabernakel. De zonen van Aäron moesten later ook de wacht houden bij de tempel (2 Koningen 11,7) en de vreemdeling die nadert moesten zij doden! Dat staat er ook. Je mag dus ook stellen dat er een wacht moet gezet worden bij de poorten die toegang verlenen tot wat wij als een heiligdom en belangrijk erfgoed beschouwen.

Niet elke vreemdeling kreeg in het (Bijbels) jodendom hetzelfde statuut van vreemdeling. Zo zijn er hele volkeren die automatisch als vijanden werden beschouwd, bijvoorbeeld de Filistijnen, de zeven Kanaänitische volken, de Gibeonieten, de Egyptenaren, de Amelekieten, de Arameeërs, de Assyriërs, de Babyloniërs, de onbesnedenen e.a. Zo staat bij Ezechiël (44,9): ‘Dit zegt JHWH, de Heer: Geen enkele vreemdeling, onbesneden van hart en van lichaam, mag in mijn heiligdom komen. Dit geldt voor alle vreemdelingen die bij de Israëlieten wonen.’ Nogmaals, dat staat er ook!

Dan waren er ook de enkele vreemdelingen, de reizigers van verre die op ‘doorreis’ waren. Het was een plicht hen te helpen. Zij hadden een bijzonder voorrecht.

En tertio waren er ook nog de vreemdelingen die weerloos recht hadden op gastvriendschap. Zij waren de vreemdelingen, de buitenlanders die onder het volk kwamen wonen. Die moesten beschermd en opgenomen worden. Zij kwamen als het ware een beroep op steun en hulp vragen. Het konden enkelingen zijn, of grotere groepen, zelfs volkeren van verre. Ze komen als bijwoners echter wel op de tweede plaats of worden zelfs slaven. (Jozua 9,1-15. 24-27) Ze waren dus enigszins minderwaardig en werden zelfs apart begraven ‘op de akker van de pottenbakker, gekocht met de dertig zilverlingen van Judas…’. Daarom de verwondering bij Ruth als Boaz haar – ‘die nog wel een vreemdelinge is’ – zo vriendelijk behandelt. (Ruth 3, ev.)


Zijn er grenzen?

Wanneer momenteel als leuze soms te horen valt dat grenzen moeten doorbroken worden, dan kan dat Bijbels niet betekenen dat er niets vreemds meer is en dat alles open en acceptabel is. Er zijn vreemde zaken die afgewezen moeten worden. Je zou het zo kunnen zeggen: ‘Het vreemde wordt godsdienstig steeds afgewezen, terwijl de vreemde steeds godsdienstig verwelkomd wordt’. (Tigchelaar)

Na de Joodse ballingschap (585-587 v. Chr.) was aan de ene kant een verharding in het standpunt dat vreemde invloeden buiten de deur moesten blijven – bouw van de tempel bijvoorbeeld – maar bovendien was er ook plaats voor vreemden die zich individueel wilden vestigen bij het volk.[2] Maar dat betekent dan ook dat de vreemdeling plichten heeft te vervullen. Het grote voorbeeld hierbij is Jezus zelf. Hij kwam als gast in vele huizen en harten, maar wanneer Hij als gast wordt ontvangen, vindt de grote omslag plaats zodat Hijzelf de heerlijke gastheer wordt. Het dienen en gediend worden, naastenliefde, familiebelang en gastvrijheid hangen samen en mogen elkaar niet uitsluiten. Dat aspect van ‘het vreemde’ mag niet vergeten worden. Het huidige Vaticaans beleid lijkt er meer op dat globale emigratie van miljoenen ontheemde mensen uit hun thuislanden, eerder als een objectief van een oecumenische chimère beschouwd wordt.[3]

Nochtans is de tekst van de Catechismus van de katholieke Kerk (§ 2241) erg expliciet als zij het over het opnemen van vreemdelingen heeft en zet helemaal niet de grenzen zomaar open voor iedereen zonder onderscheid:

‘De rijkere naties zijn verplicht zoveel mogelijk onderdak te bieden aan de vreemdeling die op zoek is naar de veiligheid en het levensonderhoud, dat hij in eigen land niet kan vinden. De overheid moet ervoor zorgen dat het natuurrecht geëerbiedigd wordt, dat de gast onder de bescherming plaatst van degenen die hem ontvangen.’

En zij voegt er direct aan toe:

‘De politieke overheid mag, met het oog op het algemeen welzijn dat zij moet behartigen, het recht van immigratie afhankelijk maken van een aantal juridische voorwaarden, met name van het onderhouden van de plichten van de migranten ten overstaan van het land dat hen opneemt. De immigrant moet met dankbaarheid het materiële en geestelijke erfgoed eerbiedigen van het land dat hem ontvangt; hij moet de wetten ervan onderhouden en mee de lasten dragen.’

In wat er nog van onze westerse verzorgingsstaten overblijft, heeft nu een religieus liberalisme de voorrang overgenomen op het ‘multiculturele’ dat alles en zijn tegendeel omvat. Zulke vooringenomenheid die ongestuurde migratie zo maar aanvaardt en goedpraat, brengt de toekomst in gevaar. Want als de culturele en spirituele identiteit van het gastland geleidelijk vervaagt ten voordele van een schemerachtig relativisme onder een golf van onbeheersbare gewoonten en gebruiken, verliest het idee van integratie van buitenlanders alle betekenis. De betrokken politieke en religieuze autoriteiten hebben ongelijk als ze daar hun neus voor ophalen.


‘Omzien’ naar vreemdelingen

‘Omzien’ naar vreemdelingen is nu een asielvraagstuk geworden. Over asiel zegt de Bijbel mooie dingen. Over immigratie is de Bijbel de glashelder: de vreemdeling moet assimileren [en zich onderwerpen aan de landswetten] als dat tenminste kan.

Wat de specifieke behoeften en wensen van migranten ook zijn, is er nog geen ernstige reden gegeven om ze in principe ondergeschikt te maken aan de behoeften en wensen van niet-migrantenpopulaties in de vertreklanden, die niet per se minder behoeftig zijn. Dit wordt nogal eens verdoezeld. Door staten en samenlevingen aan te sporen alles in het werk te stellen om migratiebewegingen te vergemakkelijken, ontneemt men de politieke instanties een essentieel deel van hun legitimiteit, namelijk het vrijelijk bepalen van de voorwaarden voor toegang tot hun grondgebied en tot hun burgerschap.

Landverhuizers zijn ook burgers aan wie in hun land sociale of religieuze regels zijn bijgebracht die soms rechtstreeks in strijd kunnen zijn met onze rechtvaardigheidsbeginselen. De plicht om hier en nu de migrant die in gevaar verkeert te helpen, houdt geenszins de plicht in om zijn migratie te vergemakkelijken, laat staan ​​om hem zomaar het burgerschap toe te kennen.

Dit alles hangt af van zeer uiteenlopende overwegingen en uiteindelijk van een oordeel dat niet moreel maar politiek is, of liever een ethisch oordeel in de oude betekenis van het woord, dus een voorzichtig oordeel waarin het algemeen welzijn van de gemeenschap van burgers het belangrijkste wordt, hoewel dit geen uitsluitend criterium moet zijn. Als de – vooral katholieke – Kerk vandaag door liturgie en sacramenten haar universele missie in de richting van haar actieve leden probeert te blijven vervullen, weet ze eigenlijk niet meer hoe ze die in de openbare ruimte moet formuleren.

Inderdaad, de soevereine staat heeft geleidelijk zijn eigen standpunt opgelegd aan alle burgers, met inbegrip van de Kerk. Vanuit haar standpunt is het christelijk geloof een van de vele meningen, waarvan zij de vrijheid garandeert, maar die uiteindelijk geen speciale aandacht verdient. Het is de ​​grote verleiding in de Kerk om het luisterend oor van het publiek op te zoeken en haar eigen specificiteit te koppelen aan de heersende tendensen en woke-discours van vandaag.

Het verontrust vele katholieken die hun Kerk meer en meer zien verwateren tot een soort NGO. Met andere woorden, door de christelijke verkondiging te verwarren met het huidige multicultureel betoog en de hieraan verbonden schijnreligie reduceert zij naastenliefde tot gevoeligheid en promoot ze een sorry-samenleving die haaks op het christendom staat. Of heeft de Kerk Europa al opgegeven?

Maar dat betekent een verzwakking van al onze ambities en het afstand nemen als burger van al onze gemeenschappelijke rechten en plichten. Ambitie of gemeenschappelijke inzet is toch niet meer nodig en doet er dan ook niet meer toe.


Mededogen en naastenliefde

In de ogen van christenen is dit humanisme oppervlakkig omdat ze de diepte niet begrijpt van wat mensen scheidt en waarin hun verschillen geworteld zijn. Hoe kunnen mensen dan genezing van hun verdeeldheid vinden in een louter gevoel van sympathie als ze gereduceerd worden met weinig kracht en standvastigheid? Bovendien is het omdat het menselijk vermogen tot sympathie van nature altijd beperkt is, dat mededogen wordt verlengd, verspreid en vervormd in politieke projecten die nieuwe verdeeldheid veroorzaken en daardoor steeds nieuwe vijanden zoeken en vinden. Men gaat op die manier van de ene vijandigheid naar de andere. Het is duidelijk dat er politieke en ideologische passies achter zo’n wereldbeeld schuilgaan.

Natuurlijk mag humanitair medeleven niet zomaar weggezet worden hoewel gebaren van naastenliefde en mededogen elkaar wel degelijk overlappen. Juist omdat er politieke krachten aan mededogen verbonden worden, is het belangrijk is om haar grenzen te onderkennen. Christenen kunnen hun geloof verliezen als ze geen onderscheid meer kunnen maken tussen mededogen en naastenliefde.[4] Dit laatste omvat veel meer dan mededogen.

De sympathie die de ‘migrant’ op christenen uitoefent ontstaat wanneer de christen Jezus vervangt door in de vreemdeling in wie hij een Jezusfiguur meent te herkennen. Het omgekeerde gebeurt ook bij een ander deel van de bevolking die de migrant dan weer om andere redenen verwerpt. Zo werkt migratie politieke en morele verdeeldheid in de hand. En dat snijdt diep in het politiek en religieus ‘systeem’ van een samenleving. Die spanning is tegelijk oorzaak en gevolg van een religieus getint humanisme dat meer en meer ons gemeenschappelijk leven aantast. Ze verkondigt namelijk dat ons representatief en democratisch stelsel radicaal oneerlijk is want in een gemeenschap van burgers die zichzelf regeren, sluit ze zich af van hen die daar geen deel van uitmaken. Een eerlijke samenleving is er dus een waar regels gelden die voor iedereen toepassing zijn want alle mensen zouden namelijk vergelijkbaar en... of inwisselbaar zijn!
Europa in zwaar water

De christelijke kerken beogen van hun kant een gemeenschap met beoordelingscriteria en een specifieke levensvorm dat zich onderscheidt van de rest van de mensheid. Dat komt niet overeen met het beeld van een mensheid dat alleen vergelijkbare mensen wil zien. Zo wil men ons verplichten om ons open te stellen voor migranten zonder er iets voor terug te vragen, terwijl zij zich niet aanpassen aan onze levensvorm en waarden. Maar zijn wij niet ‘de anderen’ voor hen? In werkelijkheid is hier geen sprake van gelijkheid of gelijkenis, wij zijn wel degelijk de alii.

Dit religieus humanisme is echter geen product van een ‘verenigd mensdom’. Dat laatste is een utopie. Die werd vooral veroorzaakt door een oud christendom dat zichzelf moe was of tegen zichzelf in opstand kwam. Aan de wortel van deze nieuwe ‘religie van de mensheid’ die bezit heeft genomen van vooral Europa, is er een openlijke vijandschap en een wrok ontstaan die specifiek gericht is tegen het christendom. Die laatste lijkt zich terug te trekken uit het Westerse leven terwijl het religieuze liberalisme de Europeanen elk recht ontzegt om zichzelf te besturen en haar eigen levensvorm en haar joods-christelijke wortels te koesteren. Terwijl Europa volhardt in het uitwissen van de laatste sporen van het christendom, mag worden gevreesd dat niets kan voorkomen dat het verdwijnt in een mensheid zonder vorm of roeping. Of misschien in een algemene islamisering waarover de laatste tijd zo veel te doen is? God beware ons!


Franciscus van Assisi en de islam[5]

We horen nogal wat aanmaningen, verklaringen, acties en initiatieven die het fameus gesprek van Franciscus van Assisi (1181-1226) met Sultan Al Malik al Kamil (1177-1238) zouden willen voorstellen als een voorbeeld van islamo-christelijke dialoog. Het zou het hedendaagse interreligieus gesprek moeten inspireren. Maar Franciscus, een gewezen soldaat, zette zijn ongetwijfeld moedige stap – tijdens de belegering van Damiate (1219 ten tijde van de 5de kruistocht) – noodzakelijkerwijs op de manier van zijn tijd en niet volgens de criteria van ons postmoderne en seculiere tijdperk waar ‘interreligieuze dialoog’ hoog op de agenda staat.

‘Ik denk dat we Franciscus van Assisi terecht een pionier, zelfs een patroon van de interreligieuze dialoog mogen noemen’ lezen we in een toch schitterende maar kritiekloze brochure van de Leuvense universiteit[6] die deze ontmoeting ophemelt en er een voorbeeld voor hedendaagse interreligieuze dialoog onterecht in meent te herkennen. Het is het zoveelste klassieke misverstand onder geschiedschrijvers die hun eigen opvattingen en eigen maatschappelijke relevanties in het verleden projecteren. Wat niet bekentent dat men niet mag leren en conclusies trekken uit het verleden. Maar als men Sint-Franciscus zou willen imiteren of er zich aan willen inspireren, dan zou men eerder een klaar en duidelijk standpunt moeten innemen dat radicaal niets te maken heeft met de lieve woordjes in dialoogkransjes over onderwerpen die er niet toe doen.

Want het is maar in deze 21ste eeuw dat die zogenaamde interreligieuze dialoog tussen Franciscus en de Sultan zo genoemd werd en als zodanig bekeken, opgehemeld en overschat wordt. De moslimwereld ziet dat helemaal niet zo. Er is geen enkele tekst in de Arabische wereld die deze ontmoeting meldt. Trouwens dat treffen was helemaal niet opmerkelijk daar de Sultan nogal wat mensen van allerlei origine in zijn paleis ontving. Franciscus was daarop geen uitzondering.

Bovendien was Sint Franciscus heel wat meer dan een sandaal dragende, diervriendelijke pacifist. Hij was ook een strenge verdediger van het geloof die gehoorzaamheid aan God en zijn Kerk predikte. Zijn brieven getuigen van volharding om God te eren in de liturgie, met kostbare en mooie altaarparamenten.

Hij zag heel scherp de rampen van een dhimmitude die overal in de islamwereld de christenen onderdrukte en hij was zeker niet die naïeve islamofiel die men nu – in het huidige tijdperk waar de islam in het Westen een bevoorrechte positie geniet – van hem wil maken.

Het was Franciscus van Assisi erom te doen de Sultan te overtuigen om de islamitische controle op de heilige plaatsen op te geven en vooral de wreedheden te doen stoppen die overal aan de ongelukkige inwoners van de regio‘s – waar inheemse christenen leefden – werden toegebracht. Want overal gingen de mosliminvasies gepaard met slachtingen, plunderingen en vernietigingen, die aanzienlijk leed en schade toebrachten. Franciscus was altijd al uiterst aandachtig en bezorgd geweest voor degenen die te lijden hadden en daarom ondernam hij een riskante poging tot pacificatie om de gruwelen van het islam-westerse conflict te doen stoppen.

Men mag niet vergeten dat de kruistochten vanaf het begin niets gemeen hadden met een koloniale oorlog. Na de eeuwenlange gewelddadige bezettingen door moslims van joodse en christelijke plaatsen en regio’s, de verovering van heilige plaatsen en de ontvoeringen voor losgeld, reageerde de christelijke wereld vanuit haar rechtmatige zelfverdediging wat niet betekent dat er geen betreurenswaardige en mensonwaardige ontsporingen gepleegd werden.

Franciscus wist dat het graf van Jezus in Jeruzalem door Sultan al Hakim in 1009 tot stof werd gereduceerd en welke kerken en synagogen geleidelijk aan werden vernietigd. Hij was ook op de hoogte van de onderwerping van de christenen in het algemeen door de moslims in het Heilig Land. Dus wilde hij Al Malik al Kamil ontmoeten in de wetenschap dat het hem, Franciscus zuur kan opbreken en het ook geen leuk onderonsje zou worden rond een kopje muntthee en mierzoete koekjes.

De enige gedetailleerde verslagen die men over deze ontmoeting heeft, zijn van de hand van de heilige Bonaventura (1221-1274)[7] en van zijn eerste biograaf Thomas van Celano († 1260) in Vita prima XX, 57 die ook bekend staat om het schrijven van het Dies Irae.

Het verslag van Bonaventura was vooral een hagiografie ter ere van Franciscus met sterk in de verf gezette legendarische accenten, verontschuldigingen en zelfs verdraaiingen. Zo staat er bijvoorbeeld geschreven dat de Sultan ‘aan het einde van de ontmoeting christen wilde worden’, wat te mooi is om waar te zijn en totaal ongeloofwaardig!

Ook andere chroniqueurs, zoals Jacobus van Vitry (1165-1180), Olivier van Paderborn (1170-1227) en Rogier van Wendover († 1236) hebben verslag uitgebracht van deze uiteraard moedige ontmoeting. De één houdt het bij een summiere beschrijving, de ander gaat zich te buiten aan gedetailleerde beschrijvingen van al dan niet fictieve twistgesprekken en wonderverhalen.

Maar met welke feitelijke realiteit komt deze benadering tussen Franciscus en de Sultan overeen? Waarom probeert men er nu een voorbeeld van te maken van een ‘christen-moslimdialoog’ in de moderne zin van het woord?...

Zelfs als men zich zou houden aan het verhaal van Bonaventura, verwachtte Franciscus en zijn metgezel dat zij zich als ‘schapen tussen de wolven’ (sic) zouden bevinden. Er is hier dus van meet af aan geen sprake van vreedzame filosofische discussies of het delen van metafysische kennis met de Mohammedanen. Trouwens bij hun aankomst werden ze ‘door de Saracenen brutaal opgepakt met haat, wreedheid en beledigingen en werden ze afgeranseld ’.

In werkelijkheid verkondigt Franciscus de politiek-religieuze leider aan dat de enige ware manier van redding die van Christus is. En dat betekent een vreedzame en respectvolle houding die hij van zijn discipelen vraagt. Franciscus spreekt zelfs over de unieke en drievuldige God, wat betekent dat Christus een levende uitdrukking is van de goddelijke liefde die op aarde is geïncarneerd. Bonaventura blijft in zijn verhaal volhouden dat Franciscus de Sultan uitnodigde zich te bekeren tot deze zienswijze omdat alleen Jezus en zijn leer redding bieden van de afgrond van ongerecht en onheil.

Het verhaal van Bonaventura voegt er nog een passage aan toe waar Franciscus de Sultan voorstelt om voor hem van zijn oprechtheid te getuigen ‘door de vuurproef te ondergaan’. Maar dit is slechts een vrome toevoeging van een aan de Bijbel ontleende passage, die aan de periode van vervolging door Antiochus Epiphanes (215-164 v.Chr.) herinnert. De tekst vermeldt ook dat de Sultan uiteindelijk, door hem te laten gaan, geschenken voor zijn armen aan Francis aanbiedt, maar die weigert ze ‘omdat hij in hem geen authentieke wortels van het ware geloof ziet’ (…) Ondertussen was het de man Gods wel duidelijk geworden dat hij met de bekering van dat volk niet de minste vorderingen maakte en dat hij ook het martelaarschap, waarvan hij zich veel voorstellingen had gemaakt, niet kon verwerven. Op ingeving van God, keerde hij daarom weer naar het land van de gelovigen terug…’

Conclusie: waar zien we het minste spoor van wat we nu ‘christen-islamitische dialoog’ noemen? Heeft Franciscus een enkele vraag gesteld over de islam en zijn wonderen? Neen. Heeft hij enige achting getoond voor deze religie? Neen.

Met betrekking tot zijn humanistisch-christelijk geloof lijkt dit logisch. Hij betuigde zeker respect voor de persoon van de Sultan, maar op geen enkel moment maakte hij een positieve beoordeling over de islam zelf. Hij was overtuigd dat deze religie een impasse teweegbracht die voortkwam uit een agressieve cultus. Hij had de resultaten ervan met lede ogen en compassievol aanschouwd, zodat hij het nodig achtte de Sultan openlijk de vredevolle manier van een evangelische houding voor te stellen!

In tegenspraak met de huidige voorstanders van de pseudo-dialoog, verwachtte Franciscus niets van de islam. Hij wist goed genoeg wat de realiteit van deze religie was. Hij was zeker respectvol voor de mensen, maar hij heeft niet gesuggereerd dat de Koran iets nieuws of creatiefs zou brengen laat staan theologisch. Paus Innocentius III (1160-1216), een tijdgenoot van Franciscus, verklaarde: ‘de naastenliefde dwingt christenen om de duizenden broeders en zusters te bevrijden die zijn overgeleverd aan de Saracenen, verpletterd en worstelend onder het juk van de meest ernstige vorm van slavernij!’[8]

Hier is aan duidelijkheid geen gebrek!

 

[1] LEREN VAN AARON. 9 juli 2018 - Blog Christiansroots.

[2] Jakob Johannes Tigchelaar – DE VREEMDELING IN DE BIJBEL – 1 december 1977 - in Digibron.

[3] Giampaolo Rossi – PAPA FRANCESCO SOROS – blog 25 augustus 2017.

[4] Pierre Manent – Christianisme et immigration. Le christianisme face à la religion de l’humanité – in La Nef n°334 Mars 2021.

[5] Serge Desouter – Militante immigratie in Europa. De islam ontsluierd – 2020. Polemos.

[6] HANDDRUK – Franciscus en de Sultan. 800 jaar ontmoeting – 2019. Kul. Leuven. Div. auteurs.

[7] Bonaventura, Legenda Major, IX, 7-8. https://religie.wursten.be/franciscus-en-de-Sultan-van-babylon/

[8] Alain Arbez – FRANÇOIS D’ASSISE ET LE ‘DIALOGUE ISLAMO-CHRÉTIEN’ : une pure fiction ! – 27 oktober 2019 in Dreuz.info.