Print

links rechts omleidingEr is veel polarisering in de huidige wereld. Veel te veel. Arm/rijk, jong/oud, Noord/Zuid, religie/laïcisme, collectief/individu… En zo kunnen we nog een hele tijd verder gaan. Het feit dat wij schijnbaar overal van die spanningsvelden nodig hebben om onszelf erin te kunnen positioneren, drukt me weer eens pijnlijk met mijn neus op de ontzettende schraalheid en ontoereikendheid van ons denken.

Oorsprong

Maar één ‘superpolarisering’ schijnt alle anderen te overschaduwen en zelfs te kanaliseren: die tussen ‘links’ en ‘rechts’. Voor een dergelijk belangrijk fenomeen is het toch wel merkwaardig dat de begrippen die we gebruiken om het te beschrijven uitblinken door betekenisloosheid. ‘Links’ en ‘rechts’ zijn afgeleid van de zitplaatsen in de Franse ‘Assemblée’ op het einde van de 18de eeuw!

Ik kan er begrip voor opbrengen dat toen geprobeerd werd de vijandige broeders ruimtelijk van elkaar te scheiden: bij de hoog oplaaiende debatten gebeurde het nogal gemakkelijk dat de ‘députés’ handtastelijk werden. Ook vandaag komt dat in sommige parlementen nog voor. Maar welke groepen links en rechts gezet werden was louter toeval, en het had even goed omgekeerd kunnen zijn. Er waren dan ook al vanaf het begin mensen die problemen hadden met die indeling. Ze meenden dat afgevaardigden voor ideeën of oplossingen hoorden te staan, en niet voor een kliek gelijkgezinden. Misschien is het betekenisvol dat die bedenkingen, ook toen al, vooral van ‘rechts’ kwamen. De mensen die – per toeval – links gezet waren, konden er best mee leven dat hun ‘collectief’ ook in het halfrond een zichtbare identiteit had. “Plus que ça change, plus que ça reste le même…”

Inhoud

Sinds die tijd worstelen we met de begrippen ‘links’ en ‘rechts’ en hebben we krampachtige pogingen ondernomen om ze met inhoud te vullen. Tegelijkertijd laten we toe dat die kwalificaties ons politiek en sociaal debat totaal overheersen. De grote meerderheid mag dan denken dat de zaak volkomen duidelijk is, maar niets anders is zo ontvankelijk voor wat de Duitsers ‘Etikettenschwindel’ (etikettenbedrog) noemen en dat gebeurt dan ook op grote schaal. Kijk bijvoorbeeld maar naar de verbluffende analogie van de redeneringen en methodes die ‘extreemlinks’ en ‘extreemrechts’ hanteren. Zouden we niet beter een cirkel vormen in plaats van een halfrond? Of is misschien ‘extreem’ een meer beduidend attribuut dan ‘links’ en ‘rechts’?

Ook ik heb naar de diepere zin van die begrippen gezocht en ook ik sta nog altijd met lege handen. Maar nu denk ik iets betekenisvols gevonden te hebben, en wel aan de andere kant van de oceaan, in de Verenigde Staten.

Prof. Dr. Judith Curry, voormalige voorzitter van het departement ‘Aard- en atmosferische wetenschappen’ aan het Georgia Institute of Technology, is niet enkel een zeer verstandige maar ook een uitzonderlijk dappere vrouw. Dat is ook nodig als je in deze krankjorum tijd het instituut moet leiden dat zich bij Georgia Tech met de wetenschappen bezighoudt die voor klimaatverandering relevant zijn.

Ze heeft het allemaal meegemaakt: de krankzinnige beschuldigingen, de acties van de ‘militanten’ om onwelgevallige sprekers bij hun lezingen te hinderen, de zenuwslopende vijandige campagnes; het hele werk. Uiteindelijk heeft ze dan ook haar voorzitterschap opgegeven.

Maar voor het zover was, heeft ze iets heel merkwaardig gezegd. Het klinkt bijna profetisch, als ware het een laatste wanhopige schreeuw van de verlichting in de opkomende duisternis van de nieuwe barbarij:

It is inappropriate to dismiss the arguments of the so-called contrarians, since their disagreement with the consensus reflects conflicts of values and a preference for the empirical (i.e. what has been observed) versus the hypothetical (i.e. what is projected from climate models). These disagreements are at the heart of the public debate on climate change, and these issues should be debated, not dismissed.”

Het is niet passend de argumenten van de zogenaamde ‘dwarsliggers’ eenvoudig af te wijzen, omdat hun conflict met de consensus eigenlijk een conflict tussen waarden is, en de weerspiegeling van een voorkeur voor het empirische (dat wat waargenomen is), tegenover het hypothetische (dat wat uit klimaatmodellen afgeleid wordt). Deze onenigheid vormt de kern van het openbaar debat over klimaatverandering, en over deze dingen moet gediscussieerd worden, in plaats van ze van de tafel te vegen.

Uiteraard is dit een zeer pertinente vaststelling betreffende het klimaatdebat (of eerder: de afwezigheid daarvan), maar deze uitspraak overstijgt die context. Ik denk dat ze de wortels van de huidige ‘links–rechtstegenstelling’ raakt.

Zou het dat kunnen zijn; de spanning tussen het reële (of empirische) en het hypothetische, tussen droom en werkelijkheid? Eigenlijk ligt dat niet voor de hand: ze hebben elkaar al te zeer nodig, de utopie en de realiteit.

Bij de volgende overwegingen is het belangrijk voor ogen te houden dat, wat we ‘links’ en ‘rechts’, ‘progressief’ en ‘conservatief’ zullen noemen abstracties, ‘hoekpunten’ in ons coördinatenstelsel zijn. We zullen de archetypische linkse wel even zelden ontmoeten als de loepzuivere conservatief. Wij, reële mensen, zijn allemaal een ‘mengsel’, gelukkig maar!

Bekijken we dat eens nader.

Realiteit

De realiteit is dat wat is. Ze te kennen is minder eenvoudig dan we soms denken. Onze waarneming van en relatie met onze omgeving hebben een lange geschiedenis doorlopen, en zijn heel zeker nog lang niet bij hun eindpunt aangekomen. Die tocht wordt prachtig beschreven door C.A. Van Peursen.1

Aanvankelijk, in wat wij de mythische cultuurfase noemen, waren we deel van en omgeven door een wereld die we nauwelijks verstonden maar waar we wel in harmonie mee konden samenleven. Waar de ontluikende ratio de meeste antwoorden schuldig bleef, sprong spiritualiteit in: op iedere berg een God en in iedere boom een geest. Dat was de tijd van de grote mythische verhalen die ook voor kennisoverdracht naar de volgende generatie hun dienst bewezen en gedeeltelijk tot de huidige dag bewaard zijn.

Tijdens de ontologische fase traden we buiten de wereld om, vanop afstand, in de rol van ‘neutrale’ waarnemer te stappen. Als we iets observeerden vroegen we ons af “wat?” dat was en we gaven het een naam.

In de daaropvolgende functionele fase verschoof de aandacht volledig van het ‘ding’ naar het proces. De centrale vraag werd nu “hoe?”

Dat mag allemaal klaar en duidelijk lijken, maar we moeten er ons wel van bewust zijn dat we niet eens bij benadering echt weten waar en wanneer de ontologische fase eigenlijk begon. In ieder geval is de volgorde onbetwistbaar.

Van Peursen toont duidelijk aan dat het bij deze opeenvolgende fasen niet om substitutie gaat: het vorige blijft behouden, hoewel er misschien minder nadruk op gelegd wordt.

Op de naad tussen de ontologische en de functionele fase – uiteraard met eeuwen overlapping aan beide kanten – heeft zich een vrij unieke ontwikkeling afgespeeld: de Verlichting. Die beweging heeft onze verhouding tot de realiteit op een compleet nieuwe basis gesteld. Voordien was ‘autoriteit’ een belangrijke bron van weten: “Aristoteles schrijft…” of “de bisschop heeft gezegd…” waren doorslaggevende argumenten, ook in een wetenschappelijke discussie…

Maar de Verlichting zette de mensen ertoe aan zelf op onderzoek te gaan, en enkel dat te geloven wat door strenge en verifieerbare logica uit betrouwbare waarnemingen afgeleid was. Kant, de ‘vader’ van de Duitse Verlichting schreef: “aude sapere” (durf weten). Dat was geen vriendelijke suggestie maar een aanwijzing: het is ‘gebiedende wijs’ (imperatief) en er stond geen “alsjeblieft” bij.

Al spoedig bleek dat de zich snel ontwikkelende wetenschap een systeem voor kwaliteitscontrole nodig had, en dat kwam er ook. Ontdekkingen werden in publicaties gedocumenteerd. Experimenten werden zo beschreven dat anderen ze konden herhalen. Metingen werden expliciet medegedeeld, inclusief de meetmethode. Ook de evaluatie van resultaten werd systematisch aangepakt. Zeer belangrijk: reeds in de 17de eeuw voerden de grote geesten (Newton, Leibniz, Pascal, Huygens…) een intensieve correspondentie met hun collegae in heel Europa. Dat leidde tot wat wij in onze huidige verengelste tijd ‘peer review’ noemen. Dat is meer dan enkel maar kwaliteitscontrole: het is in die omgeving van permanent kritisch debat dat ook weten ontstaat. Maar bovenal de empirie, het vasthouden aan metingen – dus kwantitatieve observatie – vormde de kern van de wetensverwerving.

Dat leidde in enkele eeuwen tot een ware explosie van het weten. Indien de mythische mens misschien ooit een gemis aan begrijpen van zijn omgeving gevoeld had, dan wordt de moderne mens eerder gekweld door het feit dat de hoeveelheid voorhanden weten de capaciteit van één stel hersens torenhoog – en fataal toenemend – overstijgt.

Dromen

De volksmond zegt: “dromen zijn bedrog”. Dat is natuurlijk slechts gedeeltelijk waar. Dromen kunnen zeer wel ook een inspiratie voor waarnemen en denken zijn. We beschouwen hier de droom vooral in metaforische zin: een nadenken over dat wat de wereld zou kunnen en moeten zijn; een ontwerp voor de toekomstige realiteit.

Dromen en realiteit hebben sterke raakpunten. Een droom is enkel betekenisvol als hij steunt op de huidige realiteit en daardoor een bruikbaar ontwerp voor de realiteit van morgen kan zijn. Dromen zijn van alle tijden en het was vooral de jeugd die droomde. Als de jonge generatie, met de onbevangenheid die haar eigen is, naar de wereld kijkt, ziet ze vooral fouten. Die zijn er inderdaad ook altijd, want een goed deel van de wereld is mensenwerk en fouten maken is even menselijk als rechtop lopen. Dat motiveert de jongere generatie ook altijd om misschien iets meer te willen afbreken dan absoluut nodig is. De ouderen hebben dat altijd met wisselende vertwijfeling gezien. Zoals we weten waren ze er ook duizenden jaren geleden al van overtuigd dat de jongeren zo weinig van de wereld begrepen dat ze die gewoon zouden verwoesten. Ze hebben zich dan ook altijd krachtig maar uiteindelijk vruchteloos tegen de ‘veranderingen’ verzet. Misschien is, net omdat daardoor het “koren van het kaf” gescheiden werd, hun vrees geen waarheid geworden. Maar soms was dat verzet ook gewoon contraproductief. Ouderen die het waagden samen met de jeugd voor correctie van misstanden te ijveren, werden nogal brutaal behandeld. Socrates, bijvoorbeeld, werd ter dood veroordeeld omdat hij “de jeugd bedierf”. In waarheid leerde hij ze enkel ‘zindelijk’ denken en de juiste vragen stellen, zodat ze dwars door de sofismen van de toenmalige elite heen konden kijken.

Het is misschien – vooral emotioneel – een beetje moeilijk te zien dat ‘conservatisme’ óók nuttig, zelfs nodig is. Een evenwicht kan enkel ontstaan als er twee krachten werken: een drijvende en een remmende. Als een van de twee ontbreekt gebeuren er ongelukken!

En er is nog een belangrijk effect. Als de ideeën en projecten van de jongere generatie weerstand ondervinden, worden die gedwongen zelf hun ontwerpen aan een kritisch onderzoek te onderwerpen, te verfijnen en te versterken. Daardoor verbetert bijna zeker de kwaliteit, zodat veel – maar lang niet alle – veranderingen inderdaad ‘verbeteringen’ genoemd kunnen worden. Dat hoeft ons niet te verwonderen: dergelijke competitieve mechanismen zijn het basiswerktuig waarmee de evolutie altijd en overal vernieuwing test en verbetert alvorens ze op grote schaal in te voeren!

Samenwerking

Zakelijk gezien schijnt dus heel veel voor complementariteit, zelfs samenwerking tussen droom en realiteit, tussen links en rechts te spreken. Niemand beweert dat samenwerking altijd bewust, gepland, enthousiast of zelfs vrijwillig hoeft te gebeuren. Maar een plan voor de toekomst heeft enkel dan een kans als het van een grondig en realistisch begrip van de bestaande toestand vertrekt. Aan de andere kant zal ook de meest verstarde conservatief inzien dat eeuwige stilstand geen optie is en dromen dus noodzakelijk zijn. Grosso modo is dat, uiteraard met veel vallen en opstaan, in het verleden ook zo afgelopen. Gemakkelijk was dat nooit, want er zijn tussen de twee kampen grote verschillen, zo groot dat ze tot voortdurend wantrouwen en zelfs sprakeloosheid leiden.

Verschillen en hun Problemen

Conservatieven zullen altijd, indien ook met een variabele intensiteit, weerstand bieden aan veranderingen. Dat hoeft niet noodzakelijk verkeerd te zijn, want daardoor worden de progressieven gedwongen hun overvloedige stroom ontwerpen grondig door te denken. Maar dat leidt wel tot een volledig verschillend levensgevoel en uiteenlopende communicatiestijl in beide kampen.

Progressieven zijn veel meer emotioneel, ook in hun eigen reflectie en niet enkel in hun inspanningen om de massa te overtuigen. Ze hebben het ‘licht’ gezien en er is geen alternatief. De toekomst van de wereld staat op het spel. Ze voelen zich bijna – of helemaal – beledigd als de tegenpartij om bewijzen vraagt. Ze zijn ook veel sneller met het toewijzen van ‘schuld’.

Conservatieven zijn veel zakelijker en sceptischer. Ze toetsen de linkse ideeën af aan de meetbare realiteit. Gezien hun – traditioneel – leidende positie in de economische wereld verkeerden ze in de comfortabele positie een zekere gelatenheid aan de dag te kunnen leggen.

Dat verschil leidt tot gestoorde communicatie en regelrechte vijandigheid.

In het verleden had de oudere en dus meer conservatieve generatie de macht. Ze kon de jongeren, die meer links waren verregaand laten betijen, er zelfs een beetje mee in dialoog gaan en compromissen sluiten over doordachte veranderingen. Uiteraard heeft dat in de praktijk nooit helemaal zo gewerkt, maar toch voldoende om – meestal – explosieve situaties te ontmijnen.

Waarom is deze tijd anders?

Er zijn twee belangrijke nieuwe elementen die de situatie vandaag zo bijzonder gevaarlijk maken: de triomf van Antonio Gramsci en het operationalisme. Beide spelen zich op het niveau van de cultuur af.

Antonio Gramsci was een kleine Italiaanse communist met zwakke gezondheid. Hij hielp links over de malaise die door de eerste wereldoorlog ontstaan was. Waarom was het proletariaat niet – zoals Marx had voorspeld – bij het uitbreken van het conflict in opstand gekomen, maar was – helemaal integendeel – enthousiast voor zijn respectieve vaderlanden gaan vechten? “Hoe moet het nu verder?” vroegen de kameraden zich ongelovig af. Gramsci ‘s oplossing was: eerst de culturele hegemonie in de geesten der mensen veroveren. Pas daarna kon de politieke strijd met succes gevoerd worden. Noch de conservatieven noch de progressieven zagen de genialiteit van Gramsci ’s aanpak intuïtief. Links heeft lang nodig gehad om zijn boodschap te begrijpen en ernaar te handelen, maar de laatste halve eeuw hebben ze het gedaan… met overweldigend succes en verrassend weinig oppositie. Ze overheersen vandaag de cultuur in de breedste zin. Doordat ze de duidingshegemonie vast in handen hebben leveren zij de definities en inhouden op basis waarvan de grote maatschappelijke discussies plaatsvinden. Ze kunnen zich zelfs veroorloven de inhoud achter belangrijke begrippen, bij voorbeeld democratie, racisme of feminisme, doorlopend te verschuiven als hun argumentatie daarbij gediend is. Daardoor alleen al is rechts doorlopend in het defensief, indien het überhaupt nog tot de discussie toegelaten wordt.

Het tweede element heeft te maken met de cultuurfase waarin wij ons bevinden: het functionalisme. Iedere cultuurfase heeft haar pathologische afwijking. In de mythische fase hadden we de magie. Die bestond daarin dat het subject (individu) probeert delen van het object (de wereld) onder zijn controle te brengen, er macht over te verwerven om die dan ofwel ten goede (witte magie) ofwel ten kwade (zwarte magie) te gebruiken.

Tijdens de ontologische fase zagen we het substantialisme opduiken. Hier werd gesteld dat de definitie het ding zelf is door het belang van het begrip dermate op te blazen dat het object zelf erbij verbleekte. Uiteraard deed men dat omdat men het begrip gemakkelijk kon manipuleren. De bedoeling was precies dezelfde als die van de magie: controle en macht verwerven over de wereld.

We zijn nu in de functionele fase, en ook hier weer hebben we onze ziekelijke ‘overdrijving’: het operationalisme. Hierbij gaan we geloven dat het model het ding zelf is. Men denkt dat men, door zich meester te maken van het model, het ding zelf kan manipuleren. Prof. van Peursen illustreert de beperkingen daarvan aan de hand van het – zeer complex – operationeel schema van een slang. Dat model kan ons heel veel over die slang leren, maar niet met zekerheid voorspellen wat ze de volgende seconde gaat doen.

We zien vandaag modellen meer en meer een centrale positie innemen in een aantal belangrijke debatten. Of het nu om klimaatverandering (IPCC), om de economie (Pickety) of de Vlaamse luchtkwaliteit (VMM) gaat, altijd worden modellen als ‘bewijsvoering’ voor de toekomstige ontwikkeling vooropgesteld. Ook als empirisch ernstige tekortkoming in al die modellen aangetoond werden, verandert dat niets aan het ‘geloof’.

Uiteraard is het de combinatie van die twee elementen die tot een zeer gevaarlijke situatie leidt. Een met culturele hegemonie bewapend links kan pogingen tot ernstige dialoog gewoon achteloos van de tafel vegen en zijn modellen als pseudo-rationeel bewijsmateriaal tegen iedere empirische kritiek in doordrukken. Rechts waagt het niet meer ernstig tegen te spreken.

We hebben reeds opgemerkt dat wij, mensen zoals ze in de realiteit voorkomen, allemaal mengsels van rechtse en linkse tendensen in verschillende samenstellingen zijn. Maar in de laatste halve eeuw is het ‘zwaartepunt’ van ons collectief denken en voelen sterk naar links verschoven. Het oeroude evenwicht, dat de competitie tussen creatieve daadkracht en bedachtzaamheid in de veilige zone hield, is verstoord.

De situatie bedreigend noemen is een understatement. Zelfs open opstand tegen de evolutie behoort vandaag tot het vanzelfsprekende. Hoe zouden we anders kunnen geloven in staat te zijn om zelf een nieuwe wereld en een nieuwe mens te maken?

Wat nu?

Ik heb enkele raadgevingen. Verre van mij te geloven dat die de loop der dingen kunnen veranderen. Maar ze zijn misschien wel in staat om ons iets rationeler en efficiënter te laten omgaan met dat wat toch moet komen.

Diegenen die zich voor rechts houden, geef ik het volgende te bedenken. Hoe efficiënt een maatschappij ook georganiseerd mag zijn, ze heeft altijd interne cohesie nodig. Die samenhang kan niet werken zonder emotionele component. Geef dus empathie ook een beetje meer plaats in uw overwegingen. Conservatisme is niet per definitie harteloos. In zijn beste vorm komt conservatisme neer op schroom en eerbied. Het bewustzijn dat de mechanismen die onze wereld regelen in hun complexiteit ons verstand met vele grootteordes overstijgen, leidt noodgedwongen tot grote terughoudendheid tegenover experimenten.

Het is inderdaad keer op keer aangetoond dat die experimenten in sommige, eerder zeldzame, gevallen wel op langere termijn tot verbeteringen voeren, maar in bijna ieder geval vrijwel onmiddellijk ontzettend lijden veroorzaken. Desondanks behoren grotendeels mislukkende experimenten; ‘trial and error’, integraal tot de werktuigkist van de evolutie. Daarom hoort het experiment altijd omzichtig behandeld, maar niet a priori uitgesloten te worden.

Beste progressieve medemensen. Ik wil hier aan de bedoelingen niet twijfelen, maar jullie hebben nogal wat ‘vergissingen’ op jullie palmares staan. De kern van het probleem is dat de ‘gelijkheid’ die jullie nastreven en die in jullie denken – sinds Rousseau – centraal staat, niet kan bestaan omdat ze de evolutie tegenspreekt. Zo kon het dan dat jullie eerst voorspelden dat het kapitalisme zichzelf zou vernietigen, wat niet gebeurde. Dat hebben jullie intussen ingezien. Dan dachten jullie dat een dictatuur van het proletariaat de problemen kon oplossen, maar de gevolgen daarvan waren nog erger dan die van die andere ‘misvatting’: het fascisme. Dat is vandaag ook al verregaand tot de geesten doorgedrongen.

Nu denken jullie weer dat een vergaande homogenisering van de wereldbevolking en een politieke globalisering, gedreven door het opkloppen van de klimaatproblematiek lonende pistes kunnen zijn. Er staat en stond altijd een modelvoorstelling, die toeliet de toekomst te voorspellen, centraal, vanaf het ‘historisch materialisme’ tot en met de recente discussie over de luchtkwaliteit in Vlaanderen.

Twijfels aan de correctheid van die voorstellingen worden met ‘verontwaardigde boosheid’ niet enkel van de tafel geveegd maar zelfs gecriminaliseerd. Dat gebeurt ook dan nog als empirische data aangedragen worden die de kritiek ondersteunen. Maar het einde van de empirie en de wetenschappelijke discussie betekenen ook het einde van de Verlichting. En de Verlichting is – of was? – het platform waarop onze beschaving steunt.

Ik wil jullie geen vergissingen verwijten. Enkel iemand die nooit iets probeert, kan zich niet vergissen. Maar iemand die nooit iets probeert, kan ook niets veranderen. En wie niets verandert, kan ook niets verbeteren. Jullie zijn erg goed in veranderen, maar verandering op zich leidt slechts in uitzonderlijke gevallen tot verbetering.

Ik vraag me werkelijk af of het noodzakelijk altijd zo ontzettend lang moet duren en veel kosten (en daarmee bedoel ik niet eens geld), voor jullie begrijpen dat de weg die jullie ‘alternatiefloos’ noemden en met groot enthousiasme insloegen naar de afgrond loopt.

falling

Uw Dwarsligger

1 Strategie van de Cultuur. C.A. Van Peursen. Reed Business. ISBN13: 9789010001399