Print

Another Yin Yang Yuan TransGender SymbolEnkele kritische beschouwingen

Een nieuwe rage teistert onze contreien: die van het genderneutrale spreken. De treinreizigers worden niet meer met dames en heren aangesproken of met ladies and gentlemen, doch als “goede morgen beste reizigers” of, “good morning everybody”. Toiletten moet genderneutraal zijn. De icoontjes voor man en vrouw verdwijnen.

In Canada wordt het nog gekker: daar overweegt men om op de identiteitskaarten niet langer het geslacht te vermelden.

Reden van dit alles - onder andere -: het bestaan van transgenders.

Een en ander heeft tot gevolg dat er zich een regenboogtaal vormt, waarvan de Nederlandse columniste van Roemeense komaf Nausicaa Marbe stelt dat ze doorgedrukt wordt zoals destijds de communistische taalpolitie het communistische jargon doorduwde (hier artikel). Het gevolg is dat miljoenen ‘gewone’ mannen en vrouwen zich nu in hun geslachtelijkheid getroffen kunnen voelen.

Vage term

Het woord gender is in de Nederlandse taal van uiterst recente datum[1]. Wie het heeft uitgevonden, weet ik niet. Maar een speurtocht in de literatuurlijst over seksualiteit op bol.com levert voorafgaand aan het jaar 2000 vrijwel géén literatuur op waarin het woord gender in de titel voorkomt. In de uitgave van van Dale uit 1984 komt het woord gender gewoon niet voor. Als ik mijn buren vraag wat gender betekent, valt hun mond open: “nooit van gehoord!”.

Kennelijk gaat het om een woord dat gangbaar is in een beperkt wereldje, dat zichzelf nochtans schijnt voor te houden in het centrum van de kosmos te staan.

Wat is gender? Het woord heeft vele betekenissen. Zoveel zelfs dat het eigenlijk niets meer betekent, tenzij de gebruiker er meteen zijn eigen definitie aan geeft. Zulke voorwaarde geldt voor vele begrippen uit de wereld van de politiek en ideologie. We moeten echter beseffen dat onduidelijkheid en begripsverwarring de sereniteit van het debat niet bevorderen.

Een poging tot verduidelijking

Mensen worden als man of als vrouw geboren. Dat is duidelijk. Doch sinds ’s mensen heugenis weet iedereen dat er ook een tussensoort bestaat. Vroeger heette die hermafrodiet. De term is niet meer in gebruik. In het Louvre is er een marmeren beeld te zien van een liggend vrouwspersoon, voorzien van mannelijke geslachtsdelen.

Gender zou dus het verzamelbegrip kunnen zijn voor deze drie biologische seksuele vormen. In dat geval zou je kunnen argumenteren dat je er niet komt met de simpele mededeling “dames en heren”. Er is namelijk nog een derde categorie, en die blijft onvermeld. Ze is niet talrijk, maar omdat tegenwoordig iedereen zich wil laten horen of tonen, maakt het aantal niet uit.

Er is nog een andere betekenis. Het genderbegrip wordt heel vaak gebruikt om de beleving van iemands geslachtelijkheid aan te duiden, of, algemener: iemands seksuele identiteit. En die heeft de neiging nogal eens niet overeen te komen met de biologische feiten. Een man kan zich vrouw voelen en een vrouw kan liever man zijn. Een verkeerde identiteit voor een verkeerd lichaam dus. Er zijn homofielen en lesbiennes. En er zijn de hoger vermelde maar niet altijd zo genoemde transgenders, wat in Amerika ladyboys of shemales heet.

De Oude Grieken wisten er alles van

De Grieken waren heel expliciet. Ze schaamden zich bijvoorbeeld niet voor knapenliefde of voor homoseksualiteit. Het beeld in het Louvre heeft een Griekse inspiratie. De Grieken hebben wel meer van deze beelden gemaakt.

En toch. Nergens echter vindt men bij de Oude Grieken een term die een equivalent zou kunnen zijn voor wat tegenwoordig gender heet. Ze spraken onbeschroomd over mannen en vrouwen en soms over de hoger genoemde biologische tussensoort. Maar ze voelden geen behoefte om een speciale nieuwe term te creëren.

Vreemd!

Is dat geen vreemde toestand? Precies het volk dat zich niet schroomde om naakt aan sport te doen of onbeschaamd homoseksualiteit of knapenliefde uit te beelden op hun vazen of er zelfs, even onbeschaamd, daarover te schrijven alsof dit alles de normaalste zaak van de wereld is: dat volk zag geen reden om al deze dingen te vatten in een algemeen, vaag begrip zoals gender. Alles wat met seksualiteit van doen had behoefde geen geheimzinnigheid of achterbaksheid. Recht voor de raap.

Dat er vandaag niettemin wel behoefte aan zo’n begrip blijkt te zijn, doet vermoeden dat de kern van de genderkwestie niet in de biologie moet gezocht worden, maar in de manier waarop mensen hun identiteit beleven of willen uiten en de betekenis die seksualiteit daarin heeft.

Anders gezegd: het gendervraagstuk is een psychologisch en een maatschappelijk probleem dat op een fundamentele manier te maken heeft met de hedendaagse cultuur en de zijnswijze van de mens in onze dagen.

Wat is er te onzent aan de hand dat we problemen zien in toestanden waar andere volkeren in het verleden geen been in vonden?

Er is alvast één element dat reeds ter sprake kwam: de vaagheid van het genderbegrip. Deze vaagheid veroorzaakt niet alleen een verwarde discussie. Ze roept ook achterdocht op. En die rijst des te meer op doordat de genderneutrale notaties met een opvallende doortastendheid worden doorgedrukt, zodanig dat de waarnemer geneigd is het woordje fanatiek te gebruiken. Waartoe deze haast?

Een ander element is dat zowel media als politiek en zelfs de EU – die zich ook al hier mee bemoeit! - het discours over genderneutraliteit met een opvallende gretigheid tot zich hebben getrokken. Het gaat zelfs niet alleen om het smachterig karakter van het opnemen van het genoemde discours. De hoger genoemde maatschappelijke spelers – media, politiek en bureaucratie – lijken er echt prijs op te stellen het oude man-vrouwgevoel, dat onze samenlevingen altijd tot in het diepste heeft doortrokken, zo snel mogelijk te laten verdwijnen.

Of kwaad opzet in het spel is valt niet zomaar te stellen, maar dat er systematiek in het spel is, lijkt wel duidelijk.

Kwetsen

Een overweging zou kunnen zijn dat sommige mensen hun biologische natuur niet doeltreffend weergegeven vinden in de oude man-vrouwdichotomie.

Daar valt iets voor te zeggen. Het is zeker juist dat in het verleden vele transgenders of homofielen zich bekneld hebben gevoeld, omdat ze gedwongen waren zich in te schakelen in de heersende man-vrouwpatronen. Die mensen zouden zich kunnen tekort gedaan achten, omdat zij hun echte biologische of psychologische seksuele identiteit verborgen moeten houden. Een eeuwige Freudiaanse strijd tegen de eigen natuur onder druk van een als verstikkend ervaren maatschappij.

Maar is dit heden ten dage nog een valabel argument, nu homohuwelijken in vele landen, toegestaan worden? De recente discussies in de Verenigde Staten leren ons dat ook vrouwelijke transgenders uiterst succesvolle militairen kunnen zijn.

Voelen mensen die menen dat hun seksuele identiteit niet aan bod komt, zich gekwetst? Dat lijkt toch aan betwisting onderhevig. Iemand kwetsen is hem/haar niet aanvaarden als volwaardig normaal lid van de menselijke soort. Wie gekwetst wordt, wordt in zijn menselijke volwaardigheid gefnuikt.

Doch is het kwetsend als op toiletten de icoontjes van een man of een vrouw staan? Er zijn mannen en er zijn vrouwen. Is hun bestaan dan al kwetsend? Moeten we ons dan geslachtsneutraal gaan kleden? Allemaal in boerkini? Als dat als kwetsend wordt ervaren, vraagt het gezond verstand zich toch af of hier niet van enige overdrijving sprake is. Dat het mannelijke resp. vrouwelijke geëtaleerd wordt, is bovendien helemaal niet bedoeld om anders voelenden uit te sluiten. Als er een genderprobleem is, is de anders voelende bijgevolg zelf alvast een onderdeel van het probleem.

Dat alles verantwoordt niet wat we vandaag moeten beleven, dat je namelijk nog nét niet van discriminatie beschuldigd wordt als je jezelf als man of als vrouw manifesteert, of als je, tegen de indruk die sommige milieus wekken in, homofilie niet als dé norm beschouwt.

Negers en zwarten

Dat het om persoonlijke beleving en dito perceptie gaat, kan nog verder geïllustreerd worden.

Laat ons eens naar het verhaal van de neger en de zwarte kijken.

Toen wij jong waren spraken we openlijk en zonder enige schroom over negers. Dat waren mensen met een zwarte huidskleur, kroeshaar en wonend in streken waar het doorgaans heel warm is, zoals in Congo. In die betekenis kwam het woord vanuit het Spaans tot ons. Ze waren in onze blanke wereld ook niet talrijk. In mijn geboortestad liep er welgeteld één neger rond en iedereen kende hem. Het was een geadopteerd kind. Ik heb nooit iets gehoord over discriminatie of misprijzende bejegening. Hij werd zelfs aangesproken over zijn “negerschap”, en men vroeg hem waar precies hij geboren was. Toen hij wat ouder was geworden en wat meer wist te vertellen over zijn eigen oorsprong, antwoordde hij ook zonder aarzelen op dit soort vragen. Hij praatte er openlijk over.

Maar tegenwoordig mag je iemand met een donkere huidskleur niet langer neger noemen. Dat zou namelijk denigrerend zijn. Of stigmatiserend. Aan het woordje neger kleeft immers de herinnering aan het kolonialisme, blank superioriteitsdenken en neerbuigendheid ten aanzien van de zwarte. Als je de indruk wekt dat je een voorbij wandelende neger wat nauwkeuriger bekijkt, ben je al verdacht. Dat is namelijk etnische profilering.

Vreemd is dat

In mijn jonge jaren waren er nog heel wat kolonies. Blanken meenden de beschaving te moeten uitdragen. Zelfs dan nog spraken we zonder enige bedeesdheid over negers en over hun cultuur, ook met negers zelf. We voelden de boosheid opwellen als we in De negerhut van oom Tom lazen hoe blanke planters negers behandelden. Zoiets doe je mensen toch niet aan? We bezaten dus best wel algemeen menselijk mededogen. Op geen enkele manier kan ik me herinneren dat het woord neger bij ons misprijzende bijbetekenissen opriep, noch leek de hoger genoemde negerjongen in mijn stad dit soort bijbetekenissen te ervaren, ook al kenden we het woord zwarten nog niet. In Vlaanderen betekende dat woord trouwens iets heel anders.

Nu moet men onderscheid maken tussen de toestanden in de Verenigde Staten, waar het woord neger pejoratieve connotaties heeft, en de omgang met negers in onze eigen streken. Dat je als zwarte niet graag geconfronteerd wordt met de vaak geuite negatieve connotaties en je dus ook de term die daarmee geassocieerd is niet wenst te horen, is te begrijpen.

Maar waarom moeten we in onze streken het woord neger vermijden omdat er in Amerika ongewenste bijbetekenissen aan vast hangen, waaraan te onzent niemand  denkt als hij het over negers heeft?

Waar komt dan de perceptie van negatieve bejegening vandaan? Waarom zouden negers zich in die omstandigheden gekwetst moeten voelen? En waarom moeten media en politiek op dat gebied zo nodig problemen zien, hoewel er die niet eens zijn – of alvast niet in de mate dat er zoiets drastisch moet gebeuren als in het geval van de schrapping van de oude term “ladies and gentlemen”?

Hoe komt het dat vandaag de dag dit soort bijbetekenissen kennelijk zo fel wordt ervaren, dat je sommige woorden zelfs niet meer mag uitspreken?

Over eieren lopen

Een punt dat in heel deze zaak over het hoofd wordt gezien is het simpele onderscheid tussen maatschappelijk belang van seksualiteit en de persoonlijke beleving van diezelfde  seksualiteit. Dat onderscheid maakten de Grieken heel duidelijk.

Seksualiteit heeft immers direct ook met procreatie te maken. Met het verwekken van toekomstige belastingbetalers, zeg maar, of met het in standhouden van de gemeenschap. Precies datgene wat West-Europa nalaat te doen, zodat sommigen nu pleiten voor massale immigratie. Voor procreatie zijn, voorlopig toch, nu eenmaal mannen en vrouwen nodig. Dit gegeven noemen we het maatschappelijk belang.

Daar staat tegenover dat de psychologische beleving van mensen heel vaak niet spoort met wat maatschappelijk gewenst is.

We leven in een individualistische tijd, waarin het ik en zijn eigenste psychologische beleving tot hoogste waarde worden verheven. Alle andere waarden en principes  zijn daaraan ondergeschikt. Men voelt zich door icoontjes gekwetst, niet omdat ze objectief gesproken kwetsend vermogen bezitten – ze hebben dat eeuwenlang niet gedaan -, maar omdat de mens van vandaag zo individualistisch is geworden dat alles wat zijn persoontje en zijn beleving kan raken uit de weg moet worden geruimd. Zo neemt de korzeligheid bezit van de geesten in de maatschappij. Op die manier mag je niets meer duidelijk zeggen, het is de hele tijd over eieren lopen in een maatschappij die overloopt van frustraties en trauma’s en waarin beschuldigingen over discriminatie, stereotypering en stigmatisering voortdurend door de lucht vliegen.

Media en politiek lopen de modale individualistische mens als schoothondjes achterna, veelal zonder zelf dieper op de dingen in te gaan en verhogen daarmee de maatschappelijke spanning.

Het is zeker verantwoord de drukkende pressie van het soms agressieve conformisme van de tijd toen kerken de gang van het leven bepaalden te corrigeren zodat mensen in de waarheid kunnen leven. Dat gegeven verklaart de frustratie van velen die met lede ogen de opgang van de Islam in onze westerse maatschappijen zien. Dat homo’s een zeer intense relatie hebben, die juridisch willen vastleggen en aan die relaties consequenties verbonden willen zien, is redelijk. Als zij die relatie een huwelijk willen noemen, dan doen ze dat maar, doch dan moet iedereen wél weten dat een huwelijk bedoeld is voor een relatie waarin procreatie mogelijk is. Zo is het nu eenmaal.

Op dit alles ent zich nu de gedachtenpolitie waartegen de hoger genoemde Nederlandse columniste van leer trekt. Wie zich verzet tegen de volstrekte suprematie van de individualistische beleving van elk individueel persoontje, moet dus de mond gesnoerd. Ook al omdat geen twijfel mag gezaaid worden, want dat schept onrust in de schijnbare kalmte van een door dogma’s ogenschijnlijk geordende wereld.

Het gevolg van dat alles is dan inderdaad dat eigenlijk niets meer kan gezegd worden als dat één specifieke identiteit uitspreekt, want altijd is er wel iemand die zich gekwetst kan voelen.

Het maatschappelijk belang

Onze tijd biedt mogelijkheden te over om transgenders, homofielen en lesbiennes in staat te stellen hun intiemste identiteitsbeleving te ervaren. Terecht heeft niemand daar opmerkingen over te maken. De tijd dat mensen verstoppertje moeten spelen omdat hun biologische natuur niet past in de maatschappelijke schema’s is gelukkig voorbij.

Precies daarom bestaat er geen reden om de balans in de andere richting te doen uitslaan. Als dat gebeurt komt namelijk het voortbestaan van de gemeenschap zelf in het gedrang. Voor dat voortbestaan is het in standhouden van mannelijkheid en vrouwelijkheid essentieel.

We kunnen niet toestaan dat door de ideologische suprematie van het individualistisch beleven de grondprincipes van de gemeenschap op de schop gaan. En daarom moeten we ons afzetten tegen media en politiek die hierin meegaan of zich aan het scheppen van de genoemde gedachtenpolitie te buiten gaan. Want het voorbestaan van de noodzakelijke mannelijkheid resp. vrouwelijkheid vereist ook dat het spreken daarover vrijuit kan geschieden, zonder dat daar enige vorm van misprijzen of schuld aan te pas komt. Immers: waarover we niet mogen spreken, verdwijnt. In het geval van de biologische seksualiteit is verdwijnen onmogelijk, maar er dreigt wel een nieuwsoortig hypocriet brave new world regime waarin alleen nog de stilte heerst, buiten het gekrijs van wie het hardst weet te roepen.

Sinds het begin van het ontstaan van menselijke samenlevingen behoren de verhouding tussen mannen en vrouwen en regelingen omtrent de menselijke seksualiteit tot de ziel van elke menselijke gemeenschap. Wie daaraan begint te morrelen speelt een uiterst gevaarlijk spel. Vooral als dat morrelen slechts gevoed wordt door een opgeklopt ultra-individualisme. Maatschappelijke orde en de orde van het individueel beleven moeten gescheiden blijven.

Als we dan toch allemaal samen van oordeel zijn dat die oude ziel van het menselijk samenzijn aan verandering toe is, dan is wijsheid en voorzichtigheid tot in het pijnlijke toe geboden. Hetgeen alvast betekent dat politiek en technocratie zich afzijdig moeten houden en media uiterst schroomvallig te werk moeten gaan.

Dwarsligger

 

[1] in het Engels is de term zo oud als de straat (we vinden hem al in de 14de eeuw), hoewel – vooral recent natuurlijk –  aan chaotische ‘begripsverschuiving’ onderhevig. Het betekende (verleden tijd!) ‘geslacht’, en als het ergens op een formulier stond moest je ‘male’ of ‘female’ invullen. In het Middel-Frans, waarmee het woord denkelijk in 1066 het kanaal over stak was het nog “gendre”. In modern Frans bestaat dat woord nog altijd, maar het betekent nu… “schoonzoon”.