Print

gebeten om te weten DRIERegelmatig hebben wij ‘onder dwarsliggers’ uitgebreide discussies over een of ander artikel of nieuwsfeit. Met deze bijdrage willen we u eens laten meelezen, zodat u zich ook een beetje ‘dwarsligger’ voelt.

 

En ja, we zijn ook maar mensen die zich soms ergeren aan dingen die ‘te dom zijn voor woorden’; ook dat zal je merken. Maar uit deze discussies groeit heel dikwijls een gedegen bijdrage. Géén zoveelste opinie, maar informatieve artikels of analyses. Onlangs zat ik samen bij een lekkere Pajottenlandse ‘Gronckel’ met een bekende die actief is in de uitgevers- en mediawereld en die het had over al die blogs (andere dan Doorbraak) vol met nog méér opinies. Ik heb hem aanbevolen om ook eens tijd te maken en ‘dwarsliggers’ te lezen. Weg van de waan van de dag.

Aanleiding voor onze Dwarsliggers discussie was een artikel uit ‘De Volkskrant’ en overgenomen door ‘De Morgen’. De titel “Opnieuw cruciale psychologische studie onderuit

Auteur Maarten Keulemans schrijft “Opnieuw blijkt een beroemd psychologisch experiment bij nader inzien gebakken lucht. Dat is het lot van twee derde van de herhaalde proeven. Een heel wetenschapsgebied loopt leeg.”

En dat beroemd (sic) experiment was: “Voor wie dacht dat een mens gelukkiger wordt door te glimlachen: uit een grootscheepse herhaling van een experiment blijkt: "he-le-maal niets", zegt de Nederlandse onderzoeksleider Eric-Jan Wagenmakers (UvA).”
Het glimlach-effect werd in 1988 beschreven door een team onder leiding van de Duitse psycholoog Fritz Strack. Laat vrijwilligers een potlood tussen de tanden klemmen zodat hun mond een glimlach vormt, betoogde Strack na experimenten met 92 studenten, en ze beoordelen cartoons als grappiger dan iemand die de pen tussen de lippen houdt en daarmee een pruilgezicht trekt. Allemaal nep, zo weten we nu.

Gevolg is dat de ene na de andere klassieker sneuvelt. Wie denkt aan ouderdom, gaat bij nader inzien toch niet langzamer lopen. Het 'knuffelhormoon' oxytocine in de neus sprayen blijkt geen effect te hebben op vertrouwen. Toen psychologen vorig jaar honderd studies overdeden, bleek dat liefst tweederde in de herhaling andere uitkomsten gaf. Tot zo ver het artikel.

De dwarsligger die de kat de bel aan bond:

Het is niet zo dat ik probeer ‘gelijk’ te hebben: gelijk kan je niet eten, zelfs niet met mayonaise. Maar ik probeer mensen te doen zien. Dat gaat – in dit geval – niet zonder choqueren, maar natuurlijk mét misschien ook niet. Als ik de zogezegde ‘soft sciences’, hun zogenaamde experimentele methodes en hun ‘waarheden’ met geconcentreerde vitriool te lijf ga, en niet de minste moeite doe om beleefd of respectvol te blijven is dat zeker niet netjes, waarschijnlijk zelfs niet effectief. Maar kijk eens wat er gebeurd is. De incompetente postmoderne jochies hebben een complete ‘fake’, maar als wetenschap vermomde, wereld voor ons opgebouwd. Ze hebben daarbij absoluut geen ernstige oppositie ondervonden maar zijn er, in tegendeel, in geslaagd – minstens al gedeeltelijk – maatschappelijke normen door te zetten die op niets meer dan gebakken lucht steunen. Men zou voor minder boos kunnen worden. Hier wordt nu een tipje – maar werkelijk niet meer dan dat – van de sluier opgelicht. Veel genoegdoening kan ik daarbij niet voelen. Het zal, indien het nog ooit lukt, tientallen jaren duren voor die foute percepties ophouden deel uit te maken van ons wereldbeeld. Denk maar aan het ijzer in de spinazie! (nvdr: de Amerikaanse professor die vaststelde dat er veel ijzer in spinazie zit, zag nadien dat hij een komma verkeerd plaatste en hij dus 10 maal meer ijzer vond dan in werkelijkheid aanwezig is in spinazie. Hij poogde zijn fout nadien recht te zetten maar de commercie was er mee weg en Popeye werd het ‘levend bewijs’ van een volgehouden bedrog.)

Waarop een andere dwarsligger reageerde:

Er zijn te veel charlatans in actie. Maar ook: er zijn veel te veel universiteiten. De Hogeschool van Geel presenteert zich in China als 'universiteit'. Dus sluiten ze samenwerkingsakkoorden af. Om die uit te voeren moeten ze verengelsen, ook omdat ze denken dat ze dan wetenschappelijker zijn. Tweederangs figuren kunnen zichzelf op die manier ophijsen en zichzelf wijsmaken dat ze 'professor' zijn, of anderen, die niet beter weten, dat doen geloven. Volgens mij is er in héél Vlaanderen maar plaats voor één universiteit, die dan hooguit 10.000 studenten telt. De ‘sossen’ en de ‘tsjeven’ vonden destijds dat elke provincie een universiteit moest hebben. Allemaal carrièremogelijkheden voor lieden die in een milieu met gehalte nooit aan de bak zouden komen.

Omdat een professor benoemd wordt op basis van zijn 'papers', wordt er druk gepubliceerd, zodat je voor zowat elk denkbaar onderwerp tegenwoordig een apart tijdschrift hebt. Altijd in het Engels, wat dat staat chique. Ik zie dat allemaal heel goed gebeuren in de sociologie en de antropologie op het gebied van de studie van de etniciteit. Uiteindelijk zijn in dat vak hooguit 20 boeken van betekenis.

Een professor zei me eens: een hoogleraar heeft drie taken. 1. wetenschappelijk onderzoek, 2. onderwijs, 3. dienst aan de gemeenschap. Dàt zouden de criteria moeten zijn voor internationale rangschikkingen. 

Wat het onderzoek zelf betreft: omdat ikzelf enkele kleine onderzoekjes heb gedaan, weet ik inmiddels hoe er dat aan toegaat. Er wordt op los gefraudeerd. Studenten krijgen opdrachten om interviews af te nemen, maar die faken dan wat. Resultaten worden opgeschoond. Resultaten van onderzoeken worden niet gepubliceerd als ze niet van gepeerreviewde figuren afkomstig zijn. Maar die figuren "foefelen". 

Er is daar grote kuis nodig, net als in de hele maatschappij. Vrolijk word je daar inderdaad niet van, omdat deze troep figuren uiteindelijk onze zuurverdiende democratie naar de knoppen helpen.

Waarop volgend wederwoord:

Ach ‘papers’… daar heb ik een anekdote over:

40 jaar geleden was er een CEO (hij kwam uit de kleurstofchemie) van het bedrijf waar ik werkte die bij iedere gelegenheid ‘stoefte’ met zijn 284 patenten - dat is ook een vorm van ‘paper’. Ik mocht de man niet, en dat was duidelijk wederzijds.

Toen hij bij een vergadering, als argument voor een van zijn koppige standpunten (het ging uitgerekend, om thermodynamica), tegenover mij weer zijn 284 patenten gebruikte, antwoordde ik: “Professor, met uw 284 patenten kan ik me vanzelfsprekend niet meten; ik heb er maar 15. Daarvan worden er alleszins 11 in de praktijk gebruikt.” Ik wist dat het er in zijn geval maar drie waren, wat eigenlijk ook nog vrij behoorlijk is, maar… Er volgde een zeer welsprekende stilte en mijn carrière was, tot en met zijn pensionering geregeld. Indien ik daar ongelukkig van geworden ben, heb ik het nooit zelf gemerkt.

Wat we hier zien is gewoon inflatie. In de middeleeuwen (en zelfs in de oudheid) legeerden dwaze heersers steeds minder edele metalen in hun munten, en dachten op die manier een grote slag te slaan. Het gevolg was steeds dat vrij spoedig geen mens het spul nog wilde en de economie instortte. Vandaag is er steeds minder inhoud in publicaties, met een volledig analoog doel: de goegemeente belazeren. Ook het resultaat gaat in dezelfde richting als toen in de middeleeuwen.

Dat is zo uit de hand kunnen lopen omdat wij er naast stonden en op de beslissende momenten onze mond hielden. We handelden zo uit pure kleinburgerlijke brave beleefdheid en fatsoen, wellicht ook omdat we zelf al gedeeltelijk door de postmoderne waan aangetast waren, en ook omdat het ons aan de meest primaire dapperheid ontbrak, en we geen ongemak wilden riskeren voor een ‘kleinigheid?’. We lieten de fraudeurs gewoon betijen. Net zoals de mensen in de middeleeuwen, die het zagen gebeuren, begrepen wat ze zagen en zwegen. Maar die hadden minstens nog het excuus dat de heerser ze anders wellicht een kopje kleiner gemaakt zou hebben. Wij hebben die uitvlucht niet, maar we zitten wel op dezelfde irreversibele puinhoop.

Eigenlijk is dat mijn ‘mantra’: “Wij dragen ook mee schuld aan de huidige desolate toestand. Laat ons NU omkeren. Waarschijnlijk is het al te laat, maar misschien is er toch nog iets mogelijk.”

Volgde een derde dwarsligger:

Ik ben heel blij dat men in de humane wetenschappen begint op te kuisen. Er zijn toch wel heel degelijke studies in de humane wetenschappen hoor, maar toegegeven er zijn er nogal heel wat waar men zich vragen kan bij stellen. Aan de andere onderzoekers en academici om de testen te herhalen en/of uit te breiden naar andere domeinen. Het klakkeloos overnemen van 'studies' zou uit den boze moeten zijn.

Tja, papers. In se vind ik dit systeem heel goed. Je publiceert iets en je krijgt terugkoppeling. Soms vroeg ik me wel af wat sommige andere "blinden" daar kwamen doen, maar meestal was het wel zinvol en je stak er nog iets van op. Zo zou het moeten zijn, maar ja. Het begon scheef te lopen toen het "aantal" papers van belang werd voor de evaluatie van de carrière van de academici en onderzoekers. Een paper was een aantal punten (stel x). Ik kreeg zo proffen die wel hun naam onder mijn artikels zetten maar bijlange niet wisten waarover het ging, maar ze hadden iedere keer wel x punten.

Dit systeem werd dan veranderd: de punten werden gelijk verdeeld onder het aantal auteurs. Was je met twee dan kreeg een ieder x/2 punten, was je met vijf dan x/5. Maar ja, vele kleintjes maken groot.

Gelijklopend kwam dan de classificatie van de ‘journals’ in type A, B etc. Hoe meer prestigieus de ‘journal’ , hoe meer punten je kreeg. Hier is de grootste fraude te vinden. Hier kan je mensen omkopen om jouw artikel in die prestigieuze ‘journals’ te laten verschijnen. Voorts kon een heel goed artikel lang in de pipeline blijven zitten om dan te moeten vaststellen dat een andere iets "gelijkaardigs" gepubliceerd heeft (soms met typefouten en al). Dit heeft mijn schoonmoeder zaliger meegemaakt.

Wat het aantal universiteiten betreft, ga ik niet akkoord dat er maar één mag zijn en dan nog maar voor 10.000 studenten. Met voornamelijk professionele bachelors alleen komt men er ook niet. We zitten nu eenmaal in een kennismaatschappij dus willens nillens heb je hooggeschoolden nodig.

Engels of Frans of Latijn, het blijft eender maar er moet wel een gemeenschappelijke taal komen, al was het maar voor een gemeenschappelijke woordenschat (pogen) te hebben. Engels is nu wel iets eenvoudiger dan Frans of Latijn om te gebruiken. indien het artikel in een andere taal geschreven is, dan moet de lezer die andere taal al onder de knie hebben. Zo kan ik wel Franstalige artikels lezen, maar Duitstalige of Spaanstalige of zo voort, die moet ik laten passeren (Google Translate is nu toch niet zo denderend). Ik heb zo bronnen in het Frans gevonden die de zeker de moeite waard waren en nog steeds zijn. Ik vond het toen wel spijtig dat ze niet in het Engels waren omdat ze door het grotendeel van de academische wereld niet gelezen konden worden.

Of dat je nu alle cursussen in het Engels moet geven, daar ben ik niet zo zeker van. Op een bepaald moment moet je de vertaalslag van het Engels naar het Nederlands doen, en dit liefst bij de student/prof. Handboeken aan universiteiten mogen (dus niet noodzakelijk) best in het Engels zijn, maar de collegetaal dient het Nederlands te zijn (in de masters). Voor bachelors (academisch/professioneel) zou alles toch in het Nederlands moeten zijn. Buitenlandse studenten moeten zonder pardon maar Nederlands leren.

Met een nieuwe reactie voor gevolg:

De realiteit is dat we vandaag ook al met louter half professionele bachelors zitten. Alleen geven we die nu meestal een master, en vaak zelfs een doctoraat. Dat verandert natuurlijk geen jota aan hun competentie. Waar dat toe leidt kan je in de USA zien. Daar betekent een doctoraat (terecht) niets, de naam van het instituut dat het uitreikte alles. Als ik in de USA een sollicitatie kreeg van een doctor in de chemie van Louisiana State kon ik niet zeker zijn dat hij foutloos kon schrijven. En weet je waar dat toe leidt? Tot een extreme tweeklassen maatschappij, net dat wat de protagonisten van de hervormingen wilden vermijden.

Talen vormen een moeilijke topic. Je argumenten (universaliteit) volg ik voor een goed deel, maar bedenk ook het volgende. Wetenschap is geen eiland: ze leeft binnen een cultuur, en in symbiose met heel die cultuur. Culturen zijn met een taal verweven. Een thesis in een andere taal schrijven is geen probleem: dat heb ik lang geleden ook al moeten(?) doen. Maar lesgeven is andere koek! Je moet Mandy (nvdr: heeft Engels als moedertaal) haar eerlijke mening eens vragen over het Engels dat hier bij ons – en jawel, ook binnen de universiteiten – gebruikt wordt. Toen we eens de stoutmoedigheid hadden docenten aan een Engels test te onderwerpen schrokken we ons een hoedje: meer dan de helft was gebuisd. Natuurlijk hebben we een Belgische oplossing: grote verontwaardiging over de respectloosheid van de actie en niet meer echt testen. Wij behandelen dus complexe problemen met de taal (werktuig van de geest!) van kinderen. Bij ons (exacte wetenschappen) is dat minder erg. Wij hebben de wiskunde als universele taal (waarvan de kennis overigens ook zienderogen aftakelt). Bijna altijd is het punt dat wij willen maken in een wiskundige vorm voorgesteld en een groot deel van de redenering ook. Ook de Chemie heeft een eigen ‘taal’. Dat is – in zekere zin dan– het equivalent van het vroegere Latijn.

Newton, Leibniz en Pascal correspondeerden nog in het Latijn. In de, wetenschappelijk zeer vruchtbare, 19de eeuw echter werd geen Latijn meer gebruikt. En toch was er een intensieve internationale discussie, zowel over het evolutieconcept als in de fysica en de chemie. Toen was er een Europese elite waar het ‘normaal’  was Engels, Duits en Frans onder de knie te hebben. En jawel, ook voor de Fransen; Laplace en Poincaré zijn voorbeelden. Er was geen enkele Brit die dacht dat de Duitsers toch maar Engels moesten leren. Cavendish, Thomson (lord Rutherford) en Pierce zijn hier namen om te onthouden.

En nog volstond het niet

Dit is een interessante discussie, die bovendien wezenlijk is. In de tot nog toe aangehaalde bemerkingen vind ik twee grote aspecten: a. het probleem van de kwaliteit, zowel in opleiding als in het wetenschapsbedrijf en b. het probleem van de communicatie, dit is: de betekenis van een universele taal.

Achter de twee grote aangehaalde punten schuilt natuurlijk een fundamentele vraag: waartoe dient de wetenschap? Dat roept een heel arsenaal aan argumenten op, dat erop uit komt dat de wetenschap in onze hedendaagse wereld van centrale betekenis is. En als wetenschap zo belangrijk bevonden wordt, wordt ook het probleem van de kwaliteit veel belangrijker en dan komen we meteen uit op de feitelijke kwaliteit van opleiding en onderzoek.

Kort opgesomd: wetenschap kan onze levensomstandigheden verbeteren; wetenschap bevredigt de menselijke behoefte aan kennis en helpt zijn existentieel probleem op te lossen ( wie ben ik en wat kom ik hier doen?); wetenschap kan bijdragen tot het opbouwen van een menselijke(r) maatschappij.

Daarom is, dunkt me, het bedrijven van wetenschap en dus ook de opleiding tot wetenschapper, belangrijker dan velen in de samenleving schijnen te denken. ( Ik herinner me een anekdote uit Leuven, waar een socialistische schepen vond dat men die universiteit maar moest sluiten, want dat het toch maar een hoop bourgeois is.)

De kwaliteit moet daarom voorop staan. Argumenten over spreiding van instellingen kunnen slechts secundair meespelen. Het argument over de democratisering van het hoger onderwijs ( weet je nog?) heeft te maken met de wens om iedereen, ongeacht zijn maatschappelijke afkomst, tot het hoogste punt van zijn ontwikkelingsmogelijkheden te brengen. Niet met het kapot knippen van het universitaire landschap in vijf kleine universiteiten, die met kunst en vliegwerk in stand moeten gehouden worden. Het scheppen van werkgelegenheid voor sommige lieden kan helemaal geen punt zijn.

De volgende vraag is: hoever staan we van dat ideaal af? Concreet: verbetert onze wetenschap ons leven? Bevredigt het onze menselijke behoeften? Draagt ze bij aan het "opkrikken" van de kwaliteit van onze samenleving? Hierbij moeten we dan de verhouding tussen de universele wetenschappelijke taal en de volkstaal bekijken: wetenschap dient niet voor het amusement van een 'universele' wetenschappelijke elite, maar om mensen en volken op te krikken. Daarom moeten, naar mijn aanvoelen, wetenschappers hun kennis naar hun eigen volk "vertalen". Ziedaar wat ik bedoelde met mijn kritiek op het bovenmatige gebruik van Engels.

En, tenslotte, worden de gelden die daarvoor worden ingezet efficiënt gebruikt? En laten we geen talenten verloren gaan, precies door de kwaliteitseisen los te laten?

We betreden dan het terrein van de feitelijkheid en ik moet, helaas, zeggen dat ik op dat punt niet zo positief gestemd ben.

Nog één reactie als orgelpunt:

Ver van mij te beweren dat vroeger alles in orde was. Maar de laatste halve eeuw hebben we wel bijzonder dom geboerd. Het is belangrijk in een discussie te weten waar de deelnemers ‘vandaan komen’ om hun argumenten te begrijpen. Ik wil dus mezelf positioneren. Ik wil in principe, met één heel kleine verandering, dat wat Karel de Grote 1200 jaar geleden de kloosters in zijn rijk opdroeg: 

Iedere jongen zo ver op te leiden als hij kan en wil gaan, ook dan als niemand voor die opleiding kan of wil betalen.”

 Ik zou enkel ‘jongen’ vervangen door ‘kind’, en verder niets. Bemerk dat hier impliciet is aangenomen dat kinderen niet gelijk zijn en dus gedifferentieerde mogelijkheden en behoeften zullen tonen. Karel de Grote wilde ook toen al de economische term uit de vergelijking elimineren. Om op dat idee te komen is dus blijkbaar geen socialisme en zelfs geen Rousseau nodig.

 Onze grote fout is – denk ik – geweest dat we onze ziekelijke ‘gelijkheidswaan’ ook tot het onderwijs uitgebreid hebben. Iedereen rijk. Iedereen kampioen. Iedereen baas. Iedereen Charly. Iedereen…alles. En dus ook: Iedereen gediplomeerd.

Eigenlijk is onze huidige onderwijspolitiek enkel te begrijpen als intellectuele verlenging van de economische concepten van Marshall Sahlins, een van de aanstokers van 68. In zijn essay ‘the original affluent society’ bepleit hij een terugkeer naar de maatschappij van jagers en verzamelaars. Volgens Sahlins bestond daar – ondanks een zeer laag collectief welvaartspeil –  geen armoede, want arm ben je enkel als iemand anders meer heeft. Dus als niemand nog iets heeft zijn er geen armen meer.

 Nu volgt logisch: En als niemand nog iets weet ook geen dommen… Misschien is afgunst toch niet de beste raadgever.

Tenslotte

Bij het nalezen van alle reacties bedacht ik dat niemand zich afvroeg of ‘life style’- onderwerpen, zoals glimlachen-met-een-potlood-in-de-mond, eigenlijk onderwerp moeten zijn van wetenschappelijk onderzoek dat universiteiten uitvoeren met publieke subsidies. En of professoren (inclusief de menswetenschappen) geen belangrijker studies kunnen uitvoeren? Zouden die potlood-professoren hun geld niet beter rechtstreeks halen bij de potlood- of welke industrie dan ook? Dan wéten we ten minste dat ze ons belazeren en doen ze dat niet met geld dat dient voor veel nuttiger onderzoekswerk.

Meerdere universiteiten? Voor Vlaanderen – een voorschoot groot – volstaat één universiteit maar waarom niet op verscheidene plaatsen universitaire campussen inplanten voor één specialiteit, zoals in Duitsland het kleine Duitse stadje Göttingen een wereldwijd gerenommeerde campus voor fysica herbergt.

Over taal valt veel te zeggen, maar als de universitaire wereld denkt dat de ‘universaliteit’ via een universele taal ersatz kan zijn voor de eigen taal, dan zit er iets fout. Wie ‘universeel’ intellectueel actief wil zijn, vergeet best niet waar hij of zij vandaan komt. Al was het maar om de eigen beperkingen goed te kunnen inschatten.

Een dwarsligger schreef: Ik lees dat iemand er aan denkt om een essay over dit onderwerp te schrijven. Ik kijk er met grote belangstelling naar uit.

Wel, beste dwarsligger, dit is het, onze discussie onder Dwarsliggers.

Veel leesplezier!

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren