De staat van het Vlaamse onderwijs

Een inleiding

 
 
 
Waarde Lezers,
 
Het begin van het nieuwe schooljaar wordt voor de Dwarsliggers het begin van een reeks over de staat van het Vlaamse onderwijs. U mag dwarse bijdragen verwachten van Dwarsliggers die ervaring hebben als 'leraar'. Kennisoverdracht van wie wéét - de leraar - naar wie het nog niet weet - de leerling: dat is de kernopdracht van onderwijs.
 
Dwarsligger Gerard De Beuckelaer keerde in 2009, na een lange buitenlandse academische en industriële loopbaan, terug naar Vlaanderen. Zijn lucide analyse van wat er toen al mis liep, was te scherp voor een Vlaamse uitgever. Vandaag lijkt de tijd aangebroken om het hoofdstuk dat hij toen schreef over het Vlaamse onderwijs opnieuw te lezen. Verhelderend voor Vlamingen én Nederlanders, zo staat het op de kaft.
 
 
Het onderwijs
 
 
Wij denken dat we nog altijd een prima onderwijssysteem hebben. Dat is weeral eens perceptie. We hadden ooit wel een eersteklas onderwijs, en daarvan profiteren we vandaag nog.

De koppeling tussen realiteit en perceptie is vaak mysterieus. Er is een grote faseverschuiving. Ik heb dat aan heel praktische dingen zelf kunnen ervaren. In de jaren '70 dachten de Amerikanen dat ze eersteklas auto’s bouwden. Maar het was puur schroot! Als je de deur een beetje hard dichtsloeg, viel de klink eraf. In de jaren 90 bouwden ze wel goede wagens. Ik kan het weten, ik heb er jaren mee gereden. Maar de Amerikanen geloofden het niet! Ze dachten nog altijd dat de Japanners en de Duitsers beter waren.
 
Het vroegere katholiek onderwijs
Met ons onderwijs is, de dag van vandaag, iets dergelijks aan de gang. Ons vroeger, overwegend katholiek onderwijssysteem was uitstekend. Mijn herinneringen aan mijn schooltijd zijn overwegend positief. We moesten echter wel werken, zelfs hard werken. Er was geen spraak van keuzevakken. Thuis moest je eten wat er op je bord lag, en in de school moest je leren wat er op het bord stond. Zo eenvoudig was dat. Het operatieve begrip was “leren”. Niet “opvangen”, niet “begeleiden” maar simpelweg “leren”. Niet iedereen was daar even goed in. Zo kon het dan gebeuren dat wij in de humaniora in de 6e zoals dat toen nog heette, met 120 leerlingen begonnen. Zes jaar later kwamen we met 16 aan, en daarvan waren er dan nog 4 “ingehaald”. Waar waren dan al de anderen gebleven? Als bleek dat iemand niet mee kon, of niet mee wilde - dat kwam in die tijd op hetzelfde neer, en dat doet het nog altijd, alhoewel wij dat niet meer waar willen erkennen - nodigden onze leraars de betreffende ouders uit. “Mevrouw, mijnheer, dit is niet de juiste school voor uw zoon. We bevelen het instituut XYZ aan”. Dat verdict was finaal. Er was geen sprake van onderhandelingen om de punten een beetje op te vijzelen. Ik kan me nog altijd levendig het gezicht voorstellen, dat onze directeur zou getrokken hebben als iemand ooit het lef zou hebben gehad om met zo een idee boven te komen.

Daardoor ontstond natuurlijk een hiërarchie van opleidingen. En we zouden geen Vlamingen zijn als we daar geen misbruik van gemaakt hadden. Wij denken zo graag in “hoger” en “lager”, in “beter” en “slechter”, in de plaats van gewoon “anders” te zeggen. Maar in onze verwrongen begrippenwereld is een sukkelaar van een ingenieur altijd nog “beter” dan een loodgieter van wereldklasse. Hoe absurd! Natuurlijk blijft er nog altijd de vraag of die jongen die met zijn hakken over de sloot, nog net met voldoening zijn ingenieursdiploma haalde het eventueel tot een topklasse loodgieter had kunnen brengen. En misschien is het juist ons vastgeroest zijn in de klassenmaatschappij dat ons ertoe gebracht heeft daar zo verbitterde en soms domme standpunten tegenover in te nemen.
 
De tijdsgeest van 1968
Hoe dan ook, de tijdsgeest van 1968 heeft met heel die problematiek grondig komaf gemaakt. Die tijdsgeest is in twee woorden te beschrijven; antiautoritair en egalitair. Met het eerste begrip ga ik me niet bezighouden. De antiautoritairen onder ons wens ik alleen toe dat ze eens een paar maanden in een systeem zonder autoriteit zouden kunnen leven. Het is al zo vaak geprobeerd, en even veel keren mislukt, dat het me gewoon vermoeiend lijkt daar nu nog op in te gaan. Het grotere probleem is “egalitair”.

We hebben hier te doen met onverteerde resten van de Franse Revolutie. Daar kwam de slogan “liberté, fraternité, égalité” voor het eerst boven. In zijn eenvoud en eenduidigheid is dat natuurlijk een fantastische slogan, en ik zou wensen dat de huidige politieke partijen ook zo duidelijk zouden kunnen zeggen waar ze voor staan. Met de eerste twee begrippen heb ik ook helemaal geen probleem. Maar met het derde duidelijk wél! Gelijkheid is een absolute fictie! Er zijn gewoon geen twee “gelijke” mensen. Ook eeneiige tweelingen kunnen, door nog zo subtiele verschillen in hun levenservaring, zeer ongelijk zijn. Maar we moeten het nog niet eens zo ver gaan zoeken. Meet de mensen, weeg ze! Dat is een prachtig spelletje om te spelen met een groep van 30 personen of meer – vooral als die niet in statistiek geloven – een computer en een projector. Je registreert hun gewicht, hun lengte en hun schoenmaat. Je kan dan niet alleen knalhard een zogenaamde “normale verdeling” aantonen, maar je vindt – oh schande – ook nog onweerlegbare bewijzen voor een statistisch significant verschil tussen mannen en vrouwen.

En als dan die primitieve, gemakkelijk meetbare karakteristieken zulke in het oog springende verschillen tonen, waar halen we dan het idee vandaan, dat het met onze minder gemakkelijk meetbare eigenschappen anders zou zijn?

Bovendien is het zonneklaar dat ongelijkheid geen toeval is. De evolutie zet verschil als machtig instrument in het scheppingsproces heel consequent in. Man en vrouw zijn niet gelijk, anders zou het systeem al op slag niet meer werken.

Maar als we dan niet gelijk zijn, is er dan wellicht toch “beter” en “slechter”? Kijk, daar zit nu de wortel van het kwaad. Ik heb daar wel een antwoord op, maar het is een religieus getint antwoord, en dus in onze tijd niet verzekerd van stormachtige bijval. Ik denk dat we dat wij als individuen, als deeltjes in het evolutionair proces niet gelijk zijn, en het ook niet kunnen en mogen zijn. Tegelijkertijd geloof ik dat we, als “kinderen van God”, wel gelijkwaardig zijn. Dat betekent dat we allemaal dezelfde waarde hebben, even kostbaar zijn. Maar zelfs als we de religieuze dimensie verwerpen, moeten we toch nog voorzichtig zijn. Wie kan nu de betekenis van de echo voorspellen die het leven van de – zogenaamd – minsten onder ons lang na ons in de toekomst zal fluisteren? Wie durft zoiets bij het eminent chaotisch karakter van de evolutie aan? Wie durft er zeggen dat een mens, hoe ogenschijnlijk onbegaafd ook, overbodig is, en voor de toekomst geen functie of geen boodschap heeft?

Het is dus in alle geval, religieus of niet, maar voorzichtiger de hypothese van de gelijkwaardigheid aan te hangen. Maar dat is dan wel een gelijkwaardigheid in ongelijkheid.

Ook in ons egalitarisme waren we weer eens bijzonder schizofreen. We beweerden niet alleen dat de mensen “gelijk” zijn, we verkochten, vooral aan onze kinderen, tegelijkertijd het concept dat ieder individu iets heel speciaals en uniek is. Dat laatste is natuurlijk waar. Het is een nuttig concept zolang we het niet weer met de categorieën “beter” en “slechter” verwarren. Maar dat deden we dan toch. Ik hoop dat het verschil met mijn wereldbeeld u opvalt. Ik geloof dat mensen zeer ongelijk, en toch gelijkwaardig zijn. Zoals zandkorreltjes op een strand. Geen twee zijn identiek, maar ze zijn er allemaal even nodig, en toch ook even misbaar. De meerderheid ziet dat echter anders. En daar zaten we dus met ons nieuw mensbeeld; gelijk en uniek tezelfdertijd! Ga daar als schoolsysteem maar eens mee om!
 
Gelijken gelijk behandelen
Als je postuleert dat mensen gelijk zijn, moet je ze ook gelijk behandelen. Ze moeten dan allemaal dezelfde school kunnen volgen. Zo gek dat we dachten dat helemaal zonder differentiering te kunnen halen zijn we natuurlijk ook weer niet. Er zijn dus een hoop overbruggingssystemen tussen de verschillende moeilijkheidsgraden.

Maar als we van de andere kant het unieke beklemtonen, moeten we bijna een individueel aanbod kunnen maken, met vrije keuzes. En we moeten ook het unieke in gedrag en studiediscipline aanvaarden en opvangen.

Dat hebben we dus allemaal geprobeerd, en het is – nogal voorspelbaar – op een reusachtige nivellering naar onder uitgelopen. Niet waar? Ik ga weer eens een voorbeeld moeten geven. De polytechnische instituten van de universiteiten hebben voor de burgerlijk ingenieurs altijd een ingangsexamen verlangd, en dat met goede redenen. Je kan je resources niet vergooien aan mensen die toch geen schijn van kans hebben de stof onder de knie te krijgen. Ik heb dat omzeild. Het ingangsexamen polytechniek van de militaire school werd ook aanvaard. Het had de naam iets moeilijker te zijn, maar op die manier had je twee kansen. Daar ik een heel voorzichtige jongen was, heb ik dat dan maar gedaan. Tevergeefs, zoals later bleek. Ik was er wel door, maar ik kon de centjes om naar Leuven of naar Gent te gaan – dat moest toen nog – onmogelijk bijeen schrapen, en de militaire school zag ik toch echt niet zitten. Dat speelt hier nu geen rol meer, ik heb dat achteraf allemaal ingehaald zonder schade te ondervinden. Alhoewel, hier zou men het over “gelijke kansen” kunnen hebben, en dat is ook wel iets anders dan “gelijkheid”! Dat ingangsexamen is er tegenwoordig nog, en meer nodig dan ooit. Maar er zijn in de laatste tijd problemen mee. Er slagen niet meer voldoende kandidaten; ze zijn te zwak in wiskunde. We hadden kunnen vermoeden hier een probleem in het secundair onderwijs te ontdekken, maar we vonden een veel betere oplossing; het ingangsexamen werd gemakkelijker gemaakt!

Daar gaan we gegarandeerd een hoop sofistische redenen voor horen. Bijvoorbeeld dat in deze tijd computersimulatie ons onafhankelijker van analyse heeft gemaakt. Dat mag dan waar zijn, maar een probleem analytisch afbeelden en oplossen heeft nog altijd een heel andere intellectuele kwaliteit dan het met de computer gewoon numeriek doodslaan!
 
De lat lager leggen
De werkelijkheid is dus anders. Onze jongeren krijgen, om welke reden ook, die wiskunde niet meer onder de knie. En wij reageren daarop door de lat een beetje lager te leggen!

We kunnen de vele leerkrachten, die zich ook vandaag nog in onze scholen voor 100% inzetten, niet de schuld geven van deze ontwikkelingen. Onze scholen hebben de laatste halve eeuw nogal wat meegemaakt. Ze hebben samen met ons allemaal in de demografische tobogan gezeten. Het schoolaanbod werd te groot voor het verminderend aantal kinderen. We hadden leerkrachten te veel. We moesten scholen fusioneren en leerkrachten op vervroegd pensioen stellen. Nu blijken we plots weer leerkrachten tekort te komen! Dat was allemaal dringend. De ene herstructurering volgde op de andere, met nauwelijks een adempauze ertussen. De scholen kwamen niet tot rust. Ze worden gewoon van hun kerntaak afgeleid. Was dat dan allemaal nodig?

Kijk, ik geloof in mijn naïviteit dat demografische veranderingen tamelijk precies voorspelbaar zijn en waren. En zelfs als je niet aan mathematische demografie gelooft, en daarvoor moet je toch wel een heel grote scepticus zijn, dan is nog altijd minstens 6 jaar tevoren perfect duidelijk hoeveel kinderen er in het basisonderwijs gaan zijn, en 12 jaar van tevoren hoeveel plaatsen we in het middelbaar onderwijs gaan nodig hebben. Wat hebben we dan met die tijd, die we hadden kunnen gebruiken om veranderingen geleidelijker en minder destructief door te voeren, gedaan?

Het was zeker niet mevrouw Vanderpoorten die ermee begonnen is wild aan het roer van de supertanker te rukken. Dat verontschuldigt natuurlijk de vloedgolf van “initiatieven” die ze op ons onderwijs losliet niet, maar het is echt wel voldoende voor “verzachtende omstandigheden”. In de tweede helft van de jaren 60 moesten we persé dringend moderne wiskunde invoeren. Ik kan natuurlijk de voordelen duidelijk zien. Maar het moest allemaal weer zo haastig, zo ideologisch verblind! De leerkrachten waren niet voorbereid. De ouders wisten niet wat er gebeurde. Dat kon alleen maar op een catastrofe uitdraaien! Ik probeerde toen mijn klein, zelfs onbeduidend steentje bij te dragen, en gaf voor ouders en leerkrachten van de Hoevense meisjesschool een lessenreeks “moderne wiskunde”. Ik zie me daar nog altijd staan, in mijn uitgelezen onschuldige onbenulligheid, de wet van De Morgan uitleggend. De hoofdonderwijzer van de jongensschool, wiens dochtertje natuurlijk ook bij ons op de banken zat, was ook in het auditorium. Hij benaderde ieder nieuw probleem met de vraag: “En, kan je daar nu mee uitrekenen hoeveel 400 gram worst kost?” Dat vatte de “vox populi” kernachtig samen. Het ergste was dat ik de man echt kon begrijpen, maar er toch niet aan mocht toegeven. We moesten immers proberen het beste uit de gegeven situatie te maken. Maar was dat dan allemaal nodig?
 
Natuurlijk zijn ze er achteraf op moeten terugkomen, de dames en heren die ons onderwijs bestuurden. Natuurlijk was dat een wijze reactie. Maar het was toch wel beter geweest bij voorbaat een beetje langer en grondiger na te denken! Dat laatste doen we nog altijd niet. We veranderen maar raak. Conceptpapier volgt op conceptpapier. Vanwaar die onmogelijke haast? Maar natuurlijk, het is weeral eens het “hiernumaals” dat toeslaat, we hebben zo weinig tijd! Ik geloof dat we gewoon zelf niet doorhebben hoe gedachteloos we achter de mode van de dag aanrennen!
 
Bureaucratie
En er zijn nog meer ziekten die ons onderwijs onnodig plagen. We zien symptomen van chronische “bureaucratitis”. De ene “doorlichting” jaagt de andere. De “overheid” verlangt en bekomt een ware lawine aan informatie. Dat kost de scholen enorm veel tijd en moeite, die ergens van de kernopdracht worden weggetrokken. Ik heb natuurlijk in de industrie hetzelfde zien gebeuren. Zo is dat met tijdsgeest; niets of niemand ontsnapt eraan. Het is voor de overheid altijd heel gemakkelijk informatie te verlangen. Maar men zou zich toch ook eens meer de volgende vraag kunnen stellen: “Wat ga ik met die informatie doen? Kan ik er een meerwaarde uit scheppen die de kosten en moeite voor het verzamelen ervan rechtvaardigt?” Voor deze problematiek is het van groot belang vanuit welk standpunt we hem bekijken. Indien ik een egocentrisch standpunt inneem, zijn voor mij kosten en moeite natuurlijk nul. Dus ieder nog zo minuscuul voordeeltje volstaat. Alleen als ik er in slaag in termen van wij te denken kom ik tot een meer redelijke benadering. Het is ook belangrijk wat dan het uiteindelijk doel van die oefeningen is. Ik heb vroeger ook nachten doorgewerkt aan studies. Maar dan ging dat bij voorbeeld over een recalcitrante chemische reactie die in toom gehouden moest worden. Dat was een heel andere motivatie dan veel van de tegenwoordige “doorlichtingen” die aflopen met een ondertoon van: “En bewijs nu maar eens dat je er nodig bent, en dat we je niet zonder meer kunnen wegrationaliseren!”

Als in onze scholen de inspecteur op bezoek kwam, moest die niet veel papier zien. Hij stapte de klassen binnen, stelde een paar doelgerichte vragen en zag meteen hoe ver het stond met de assimilatie van de leerstof. Bij ons maakte dat een onvermoed gevoel van solidariteit met onze leraars los. We gingen hen niet laten hangen. Die inspecteur ging hier eens wat zien! Ik was een nogal leergierig jongetje, en ik vond er een sardonisch genoegen in tegen die inspecteurs op te scheppen met kennis waarvan ik drommels goed wist dat ze helemaal niet tot de leerstof behoorde, en die we dus niet of nog niet moesten hebben. Van het ogenblik dat de inspecteur de deur uit was werd de leraar natuurlijk terug “de vijand”. Maar het was plezierig. Ik zie nog altijd mijn leraar meetkunde voor me. Ze noemden dat toen “intuïtieve meetkunde”, maar aan hetgeen ik mijnheer de inspecteur had voorgeschoteld, nadat hij de overigens duidelijk geprovoceerde onvoorzichtigheid had begaan me over de stelling van Pythagoras aan de tand te voelen, was niet veel intuïtief. Onze leraar stond hoofdschuddend en een klein beetje beschuldigend naar me te kijken toen hij de inspecteur had buiten gelaten. Zo van: “wat heb jij belhamel nu weer met die arme man uitgehaald?” Natuurlijk was die inspecteur grondig in de luren gelegd. Maar hij lag niet helemaal ten onrechte in zwijm uit bewondering voor het didactisch talent van onze leraar meetkunde. Die was inderdaad ook heel goed! Zou ik zo een interesse in de materie ontwikkeld kunnen hebben onder de invloed van een middelmatige leraar? Wat zou een formulierenberg met de afmetingen van de Mount Everest daaraan veranderd hebben?

Waarom moet dat tegenwoordig allemaal zo ingewikkeld zijn en met zoveel papier gepaard gaan? Wel, als je met weinig papier en eenvoudige processen wilt toekomen, moet je op het oordeel van die inspecteur vertrouwen. Kijk, dat willen we nu niet meer; dat is niet objectief. Daarom ontwikkelen en documenteren we processen tot onze vingers ervan bloeden. En als het even kan willen we ook nog zo’n ISO certificaat. Dan zijn we pas echt geattesteerd, volledig reproduceerbaar en objectief. Hopelijk geloven we dat zelf niet. Ik heb heel vaak gezien dat de binding tussen die immense papierbergen en de realiteit maar heel zwak of zelfs onbestaande was. Dan zijn we daar waar we echt niet zouden mogen komen. We zijn dan in onze minachting voor de realiteit zover gegaan dat we een nieuwe, een andere, een betere realiteit geschapen hebben. We vergeten dat het maar een papieren realiteit is. We omhelzen ze en gaan erin leven! We zeggen dan trots: “Proces is alles”, en we hebben niet door dat we tot aan onze oren in de beerput van het operationalisme staan. Die veranderingen gaan langzaam, bijna sluipend. Ze infiltreren ons bestaan zonder dat we het merken. Daarom is het zo broodnodig de dingen zoals ze zijn af en toe eens knalhard in vraag te stellen.

Maar niet alle veranderingen waren verkeerd. Bij voorbeeld van het bijzonder onderwijs heb ik verbluffende resultaten gezien. Maar dat komt toch alleen maar omdat het mijn paradigma volgt; mensen, en dus ook kinderen, zijn niet gelijk! Er zijn erbij die een andere opleiding in een andere omgeving nodig hebben. Ik kan de progressieven al horen: “En dan steken we die iets minder begaafde kinderen maar in een soort getto!”. Mis! Ik ken een jongen die het toch maar klaargespeeld heeft van speciaal onderwijs, via beroepsonderwijs nog met succes door een A1 opleiding te geraken. Nu studeert hij aan de universiteit Leuven. Hij kan zich daar handhaven, maar dat alleen dankzij enorme inzet en motivatie. Dat is nu juist het domme aan onze eeuwige “beter / slechter” spelletjes. Wilskracht is ook een begaafdheid, even goed als talent voor wiskunde, en misschien op de duur belangrijker. We hebben het hier gewoon met een andere verdeling in het talentenspectrum te doen, waarop we met een ander opleidingsaanbod moeten reageren!

We hanteren nu die statistieken, die uitwijzen dat de kinderen van ouders met een hoger opleidingsniveau betere kansen hebben om zelf in hun studie te slagen. Die statistieken kloppen, ik heb ze bestudeerd. Hoe onrechtvaardig, zeggen de socialisten. Ze denken natuurlijk dat het allemaal met de betere economische situatie te doen heeft. Maar even voorzichtig zijn mensen! Correlatie betekent nog lang geen causaliteit! Er zijn meer van die gevallen geweest. In de jaren 1980 kon men, over tientallen jaren, een knalharde correlatie aantonen tussen het aantal broedende ooievaarsparen en het geboortecijfer in de Duitse deelstaat Schleswig Holstein. Gaan we daar nu uit besluiten dat de kindjes inderdaad door de ooievaar worden gedropt? Hopelijk niet! De reden is dat de twee verschijnselen die we daar met elkaar in verband proberen te brengen een gemeenschappelijk oorzaak hebben: toenemende industrialisering. Dat brengt vervuiling van het milieu mee, en daardoor nemen de ooievaars af, maar ook verhoging van de welvaart, en daarmee neemt het geboortecijfer af. Zo simpel is het probleem van de slaagkansen in het onderwijs jammer genoeg niet. Hier spelen meerdere factoren een rol, en we beginnen niet eens hun samenspel duidelijk te begrijpen. Ik zie de volgende mogelijkheden:

Economische welvaart van het gezin. Dit speelt natuurlijk, ondanks alle lovenswaardige inspanningen van de overheid jammer genoeg nog altijd een rol. We moeten echter het belang daarvan niet overdrijven. Ik had op dit gebied alles tegen me, en ik heb het toch gehaald. We moeten ons wel blijven inspannen om deze factor tot onbeduidendheid terug te dringen. Daarover later meer.

Atmosfeer in het gezin. Een familie waar cultuur en weten in het dagelijkse leven worden beleefd en gecelebreerd verhoogt natuurlijk de kansen dat een kind voor die dingen geïnteresseerd geraakt gevoelig. Dit is een sterk voorbeeld van ongelijke kansen. Ik vraag me echter af wat de overheid daaraan kan doen. Misschien het Chinese voorbeeld van de culturele revolutie volgen en de intellectuelen ombrengen of “heropvoeden”? Zo gek kunnen zelfs onze politici niet zijn!

Genetica. Zou het niet kunnen zijn dat kinderen de begaafdheden en interesses van hun ouders erven? Zou het niet kunnen zijn dat dit effect ook nog doorwerkt als die kinderen in een heel andere omgeving opgroeien. Het opvallend hoge percentage van adoptiekinderen dat mislukt, ondanks alle liefdevolle zorg van de pleegouders schijnt in die richting te wijzen. De discussie daarover wat nu voor een mensenleven bepalend is, de omgeving of de genen, is oud en vies. Ze concentreerde zich rond thema’s zoal homo-seksualiteit, maar ook ziekten zoals kankers. Is dat nu aangeboren (dus genetisch en onvermijdbaar) of aangeleerd (en dus minstens een beetje de eigen schuld)? Het debat wordt gevoerd in een ideologisch verwrongen context. Sommigen willen de homoseksuelen beschuldigen, en zeggen dat het allemaal draait om omgeving, ervaring en vrije wil. Anderen willen ze vrijspreken, en die zeggen dat de genen de doorslag geven. Het onderzoekingsmateriaal is op geen van de kanten overtuigend. Ik denk - en denken is minder dan geloven, en geloven is nog altijd minder dan weten - dat we het hier waarschijnlijk weer met zo een mengsel te doen hebben. Ik geloof in de macht van de genetica, maar niet onbeperkt. Zou het niet kunnen zijn dat geërfde neigingen sluimerend liggen te wachten tot ze door de omgeving worden geactiveerd? Daar zou eens serieus onderzoek naar gedaan moeten worden. Dat is niet zeer waarschijnlijk. Het probleem is veel te ideologisch geladen. Maar ik geloof intussen wel dat de genetische component de belangrijkste is.

Zou dat met leren niet hetzelfde kunnen zijn? Ik geloof het wel! Maar wat kan de overheid daaraan doen? Eigenlijk alleen maar ingrijpen op genetisch vlak. Hallo groenen, jullie geraken toch al in paniek als we met maïs gaan experimenteren! Hallo SP.a, jullie zijn toch voor gelijkheid tot iedere prijs! Hallo VLD, jullie zijn toch voor vrijheid! Hallo CD&V, jullie hebben, wel een beetje aarzelend, toch nog altijd die “C” in het blazoen! Hallo Vlaamse Blokkers, voor jullie is afstamming toch wel erg belangrijk!

Willen we dan de “Brave New World” van Aldous Huxley? Ik wil ze niet, maar ik kan ze ook niet verhinderen. Ik kan alleen maar een figuur uit “Brave New World” parafraseren; Mustafa Mond, de beheerder, die – een beetje vermoeid – tot de “Wilde” (je zou hem ook de eerste groene activist kunnen noemen) zegde: “Have it your way!”, nadat de “Wilde” het recht had opgeëist om arm, ziek en hongerig te zijn.

Natuurlijk moet de overheid er verder naar streven de economische factor uit te schakelen. We moeten echter wel geen profiteurs subsidiëren. Als er mensen zijn die willen studeren, en het financieel niet aankunnen, moeten we een soort contract met hen maken: wij betalen, jij studeert! Dat betekent dat we alle kosten voor onze rekening nemen; je bijdrage voor de universiteit, je woonst en ook een bescheiden zakgeld voor je levensonderhoud. Maar als je ook maar één examen mist is het feest voorbij. Hoe blij zou ik geweest zijn, 45 jaar geleden, zo’n contract te kunnen ondertekenen!

Het is noch mogelijk, noch noodzakelijk noch wenselijk dat we allemaal hetzelfde zijn en doen. Het is wel nodig dat in ieder kind de aanwezige talenten, al zijn ze nog zo gering, ontdekt en ontwikkeld worden. Het is ook nodig dat we mekaar om het verschil in onze talenten noch benijden noch minachten, maar respecteren in het bewustzijn dat niemand van ons ook maar bij benadering kan voorspellen wiens bijdrage nu op lange termijn belangrijker zal zijn. Het kan ook de dorpsidioot zijn die, met zijn voor onbeduidend gehouden gewichtje, uiteindelijk de koers van de wereld ten goede keert!

Daarom is de nivellering, die we al tientallen jaren koortsachtig najagen zonder ooit het woord uit te spreken, onnodig en bovendien heel schadelijk.
 
 
 
             Pjotr's Dwarsliggers