Omdat onderwijs zo belangrijk is  
 
 
Waarde lezers,

Het belang van het onderwijs voor de toekomst van de mensheid mag niet onderschat worden. Wanneer uit testen blijkt dat de kwaliteit achteruitgaat, is grote waakzaamheid geboden en is er nood aan een zo ruim mogelijk én grondig debat, zonder taboes.

Onze filosofie volgend gaan we niet opnieuw op dezelfe nagel kloppen en het zoveelste kritische stukje schrijven waar intussen zowat iedereen moe van wordt. Als Dwarsliggers willen we wel het vernieuwend denken een plaats geven in het debat. Aan onze lezers om zich hierover een oordeel re vormen.

In deze Nieuwsbrief laten we kinderarts en gastauteur Piet Hein Jongbloet aan het woord. Hij trekt het debat open naar een domein dat nauwelijks aandacht krijgt: de medisch-biologische aspecten van de menselijke evolutie die zich volgens hem ook laten voelen in het onderwijs. Een oproep tot onderzoek die voor sommigen allicht vloeken is in de kerk, maar niet voor Dwarsliggers, gebeten op te weten.

Het is slechts een start voor nog meer bijdragen, want de onbeantwoorde vragen zijn legio. Bij voorbeeld, wat is intelligentie? Of nog, waarom zijn jongeren vandaag zo onzeker en kwetsbaar? (Over die onzekerheid getuigden poësisstudenten onlangs nog tijdens een vergadering van de Orde van den Prince).

Ter inleiding van de bijdrage door onze gastauteur schreef een Dwarsligger volgende commentaar:

“Dit is uiteraard een thema dat niet genoeg aandacht krijgt. Er wordt op dit gebied al bijna vijftig jaar met onze toekomst geknoeid, zelfs gespeeld. (…) Ik denk echter dat we die daling van het IQ (en een aantal ‘beschavingsaandoeningen') minstens ook in de cultuur (waarvan hormonale contraceptie uiteraard een element is) moeten zoeken, en dus in de omgeving waarin mensen opgroeien.

Nu zullen organen die niet gebruikt worden altijd atrofiëren. Dat lijkt ook voor vaardigheden het geval te zijn. De vaardigheden die bij de IQ test gemeten worden zijn ook diegene die wij vandaag in onze ‘vereenvoudigde' of ‘vermenselijkte' maatschappij niet meer of veel minder gebruiken.

Daar wij over dergelijke samenhangen zelfs niet meer willen/mogen nadenken, omdat ze, horresco referens, naar fascisme ruiken, antwoorden wij op de nu zichtbaar wordende problemen consistent met ‘meer van hetzelfde.”
 
 
Onderwijsproblemen, andere oorzaken
 
 
‘Als we zo voortdoen, is binnen vijf jaar een kwart van de jongeren niet meer in staat de krant te lezen' was de alarmkreet van Erik Moonen (Universiteit Hasselt). In Doorbraak (30 jan.) wees Johan Sanctorum eveneens op de onderwijsproblemen in Vlaanderen en onderwijsdeskundige, Julien Borremans, reageerde hierop met een ‘Mea culpa, mea maxima culpa: Er is inderdaad een nivellering naar onder toe' (3 feb.).
 
Onderwijs hervormingen helpen niet
 
Ook in Nederland wordt al jaren geklaagd over het gebrek aan taal- en rekenkundige vaardigheden bij veel leerlingen. Hieraan werden in NRC-H (7-10 jan.) negen volle pagina's gewijd én een Commentaar van de redactie. Basisschoolleerlingen zijn slachtoffer van onderwijs en methoden, die niet voldoen. Het aanbod van bijspijkercursussen groeit explosief. Bij de aanstaande leerkrachten die de komende generaties rekenen en taal moeten bijbrengen, gaan spellen en tellen achteruit. Door velerlei onderwijsdeskundigen wordt naar oorzaken gegist en worden theorieën toegepast, die zijn gebaseerd ‘op de natuurlijke nieuwsgierigheid en zelfredzaamheid van het kind'. Hierbij wordt de leerkracht teruggedrongen in de positie van ‘stimulerende begeleider'. Velen waarschuwen en protesteren gefrustreerd tegen deze onderwijsvernieuwingen, die verslechtering leken op te leveren. Erger nog, verbetering blijft uit: het percentage laaggeletterde 15-jarigen in 2003 is nu gestegen van 12 tot 18 procent en blijkens de internationale OESO-, PIRLS- en PISA-rapporten zou het om een vrij algemeen en globaal fenomeen gaan.
 
Geen lokaal probleem
 
Deze klachten zijn dus geen lokaal fenomeen en er moet meer aan de hand zijn. Men kan er zich slechts over verbazen dat deze discussies niet worden opengetrokken naar de globale intelligentiedaling, zoals vastgesteld in Noorwegen, Denemarken, Groot- Brittannië, Nederland, Finland, Frankrijk, Estland, en ook in Koeweit. Deze intelligentiedaling wordt als het ‘negatieve-' of ‘anti-Flynn effect' aangeduid (Intelligence, jaargangen 2013-2017). Vanaf 1900 zag men op basis van de IQ-tests en de reactietijd een geleidelijke intelligentietoename, het zogenaamde ‘Flynn effect'. Dit werd algemeen geïnterpreteerd als het resultaat van beter onderwijs en betere voeding en sociaal-economische omstandigheden.

In de jaren 60 zag men deze toename culmineren, maar sinds de jaren 70, constateerde men geleidelijk een afname van + 2 à 3 IQ punten per decennium. Bij de interpretatie van de gesignaleerde onderwijsproblemen moet rekening worden gehouden met dit - vooralsnog onbegrepen - ‘negatieve' of ‘anti-Flynn effect'.

 
Biologische oorzaken belangrijker dan sociaal-economische?
 
De vraag dringt zich dan ook op of hier geen meer fundamentele oorzaak een rol speelt, temeer omdat deze intelligentiedaling niet los kan worden gezien van een gelijktijdig sluipende toename van niet-evident genetische aandoeningen, o.a. van ASS (autisme spectrum stoornissen), ADHD, maar ook aan hart-vaatafwijkingen, diabetes, astma en ziekelijk overgewicht bij kinderen en jonge volwassenen, die zijn geboren na de jaren 70. Ook de wereldwijde toename van depressies, zelfmoorden en het gebruik van antidepressiva bij jongeren passen in deze context. Dit betekent dat biologische oorzaken hier in het vizier komen.

Het gelijktijdig mondiaal gewijzigde geboorte-/conceptiepatroon is belangrijk in dit verband. Dit seizoensgebonden hormonaal gestuurd patroon, geconcentreerd rond de beide equinoxen én omgekeerd op het zuidelijk halfrond - was sinds de 16e eeuw onveranderlijk stabiel. De globale introductie van gezinsplanning sinds de jaren 70, meer in het bijzonder de hormonale contraceptie, ontregelde de fysiologisch hormonaal gestuurde rijping van de eicel. Hierdoor blijkt de verhouding tussen niet-optimaal en optimaal gerijpte eicellen te zijn gewijzigd in de zin van niet-optimale ten koste van optimale. De onmacht van vele ouders en de rampzalige resultaten in de internationale OESO-, PIRLS- en PISA-rapporten fungeren wellicht als de kanarie in de onderwijskoolmijn.

Het betreft hier geen éénzijdige discussie onder onderwijsdeskundigen. Een medisch-biologische benadering en een grondig epidemiologisch onderzoek dringen zich op: de vraag is of er een mogelijk verband bestaat tussen enerzijds de globale introductie van contraconceptie, in het bijzonder de hormonale, en anderzijds het gelijktijdige ‘anti-Flynn effect' én de inherente onderwijsproblemen naast de sluipende aandoeningen bij kinderen en jonge volwassenen, geboren na de jaren 70? De maatschappelijke consequenties hiervan vereisen absolute aandacht: zie blog: ovopathy.com

Dr. Piet Hein Jongbloet, Antwerpen

Over de gastauteur: Als kinderarts, opgeleid in Gent is hij professioneel actief geweest als medisch directeur van een instituut voor geestelijk en lichamelijk gehandicapten te Ottersum (NL), deeltijds ook verbonden aan de Genetische afdeling van de VU Amsterdam en de Epidemiologische afdeling van de Radboud Universiteit Nijmegen. In 1971 is hij gepromoveerd in Amsterdam over ‘Mental and physical handicaps in connection with overripeness ovopathy'.
 
 
Nieuw in onze bibliotheek
 
De VRT publiceerde op zijn webstek een artikel van ondergetekende over de keuze voor een defensie die de Amerika offensieve doctrine volgt, een opdeling in vrienden en vijanden, of voor de Europese visie, waarbij  internationale relaties dienen om de samenwerking te bevorderen.
 
 
 
             Pjotr's Dwarsliggers