Dr. Paul De Ridder ...

FRANS IN HANDEL EN NIJVERHEID
Léon Van den Bruwaene en Hervé Hasquin wijzen er op dat mensen uit Waalse gewesten te Brussel hun waren aan de man brachten.
Dit is allerminst verwonderlijk. Niet alleen in de Nederlanden maar in heel Europa waren alle steden van enige omvang aangewezen op de aanvoer van voedingswaren en gebruiksgoederen.
Van oudsher bestaat er dus een lokale, een interregionale en zelfs een internationale handel. Kooplui en reizigers trekken voortdurend van de ene streek naar de andere. Zij overschrijden daarbij lands- en taalgrenzen. Mensen zijn uiteraard geen levenloze leden poppen in glazen vitrines. Zij zijn constant in beweging.
LEURDERS EN VENTERS
Ook te Brussel brengen handelaars, venters en leurders afkomstig uit andere streken hun koopwaar aan de man.
Een Brusselaar maakte een treffende beschrijving van dergelijke personages in zijn gedicht:
“Kluchtig ende belacchelijck verhaeldicht van allen het gene men roept, singht ende schreeuwt, soo op de merckten als straten van de Princelycke stadt Brussel, seer genoegelyck om lesen, vertoonende den geestigen Mostaertman, Pot-à-Fer, Taert- ende waeffel-vrouwen, Appel-wijven , Hannekenuyt ezv. met alle hunnen sanck ende geroep.”
De dichter voert naast kooplui en boeren afkomstig uit Duitsland, Holland en Gelre ook Walen ten tonele. Laatstgenoemden komen te Brussel steenkool en Hervekas verkopen. Die Walen trekken uiteraard ook naar andere steden. Reeds tijdens de 15de eeuw leveren zij in Antwerpen Waalse steenkool.
Op talrijke plaatsen in Europa vindt men dergelijke verhalen met satirische beschrijvingen van mensen uit andere streken.
Eén voorbeeld onder vele is het befaamde “Barca di Venetia per Padova” van Adriano Banchieri (1568-1634). Daarin verschijnen naast lieden uit diverse regio’s van Italië ook buitenlanders zoals Duitsers en Joden.
Uit het Brussels “verhaeldicht” blijkt dat de Zennestad - net als andere Europese steden - een centrum is van interregionale en zelfs internationale handel waar de meest uiteenlopende nationaliteiten elkaar ontmoeten. Bij hun handelsverrichtingen hanteren zij de meest uiteenlopende talen.
De auteur van het kluchtig verhaaldicht verklaart dan ook : “Men sprack er Duyts, Frans, Ierts, alle talen.”
Merkwaardig genoeg gebruiken de Walen het Nederlands om hun koopwaar aan de Brusselaars te verkopen. De “verfransende invloed” die van dergelijke venters mag dan ook niet overschat worden. De meeste van die Waalse leurders blijven trouwens niet lang in Brussel. Ze trekken immers op geregelde tijdstippen terug naar hun streek van herkomst om zich te gaan bevoorraden
GEEN “AFFICHAGE EN FRANCAIS” TE BRUSSEL
Gelet op de functie van Brussel in de interregionale handel hoeft het uiteraard geen verwondering te wekken dat de stedelijke verordening van 31 augustus 1675 over de rechten geheven op de in- en uitvoer van goederen niet alleen in het Nederlands maar ook in het Frans gesteld is. Die in- en uitvoerrechten moeten immers niet alleen worden betaald door Brusselaars maar ook door handelaars en voerlui afkomstig uit andere regio’s en landen.
De uitvaardiging van dit toltarief is overigens één van de uiterst zeldzame keren dat de Brusselse wethouders een publieke mededeling niet alleen in het Nederlands maar ook in het Frans hebben uitgevaardigd.
Recent onderzoek heeft immers aangetoond dat meer dan 95 % van de verordeningen die tussen 1635 en 1793 werden afgekon-digd op de pui van het Brusselse stadhuis enkel in het Nederlands gesteld waren.
Op de koop toe hebben de weinige Franstalige teksten (4 %) meestal betrekking op… het buitenland (zoals de vrijhaven van Triëst en een opstand in Hongarije…)
Zowel Van den Bruwaene als Hasquin gaan dan ook beslist te ver wanneer zij beweren dat er tijdens het “Ancien Régime” te Brussel sprake zou zijn van een “affichage en Français.”
Het lijdt geen twijfel dat ook te Brussel - net als elders in Europa - anderstalige kooplui en handelaars actief waren toch is de Zennestad nooit een internationaal handelscentrum geworden vergelijkbaar met het middeleeuwse Brugge, laat staan met het 16de - eeuwse Antwerpen.
KOLONIES VAN BUITENLANDERS
Het Brabantse Antwerpen en het Vlaamse Brugge verschaffen onderdak aan heuse kolonies van buitenlanders. Overigens leven er in vele Europese steden tijdens de middeleeuwen gemeenschap-pen van “Lombarden”, d.w.z. Italiaanse geldhandelaars.
Terloops: heel wat van die financiers komen niet uit Lombardije maar uit Toscane.
Omgekeerd trekken een aantal mensen vanuit de Nederlanden naar andere gebieden om er handel te drijven of er een vak uit te oefenen.
Dit geldt onder meer voor de Toscaanse stad Firenze. Daar vestigen zich sedert de late middeleeuwen een groot aantal ambachtslui uit de Nederlanden en uit Duitsland. Op vraag van de Medici’s , groothertogen van Toscane, trekken in de 16de eeuw een groot aantal wevers van kleurrijke wandtapijten vanuit Brussel naar Firenze.
Die inwijkelingen verenigen zich in het Broederschap van de H. Barbara. Dit genootschap voert in de Toscaanse hoofdstad zijn administratie nog lange tijd in het “Duytsch.”
Andere kooplui uit de Nederlanden vestigen zich te Venetië of zelfs op de Canarische eilanden. Antwerpenaren drijven, na de sluiting van de Schelde (1587-1795), handel via de haven van Duinkerken. Kempense marktkramers brengen hun waren aan de man in het Rijnland. De lijst kan naar believen worden aangevuld met andere voorbeelden.
De internationale handel vergt de kennis van meerdere talen. Precies daarom wordt rond 1369 uitgerekend in Brugge het zogenaamde “Livre des Mestiers” geschreven. Dit gespreksboekje laat de Vlaamse kooplui toe in het Frans te dialogeren met buitenlanders.
HET FRANS TE ANTWERPEN
In dit verband moet herinnerd worden aan de bijzondere situatie van Antwerpen. Die Brabantse stad hanteerde net als de andere steden van het hertogdom (Brussel, Leuven, Lier, ’s Hertogen-bosch…) naast het Latijn enkel het Diets als bestuurstaal.
Na de dood van hertog Jan III (+ 1355) echter maakt Lodewijk van Male, graaf van Vlaanderen, aanspraak op Brabant. Hij verovert (Slag bij Scheut, 17 aug. 1356) de Brabantse steden Brussel, Leuven en Antwerpen en zelfs de (niet-Brabantse) heerlijkheid Mechelen. Maar de legendarische Brusselse patriciër Everard Tserclaes slaagt erin de Zennestad te bevrijden. Tserclaes verjaagt de Vlamingen ook uit Leuven.
De Brabantse stad Antwerpen heeft echter minder geluk. Het Vredesverdrag van Aat (3 juni 1357) laat de Antwerpen in handen van de graaf van Vlaanderen.
Gevolg: onder de Vlaamse bezetting maakt Antwerpen kennis met de verfransende invloeden van de niet-Brabantse machthebbers.
Vanaf die periode vindt men inderdaad op het Antwerpse stads-archief meerdere Franstalige documenten. Historicus Floris Prims publiceerde daarover in 1933 een studie in de “Mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie”. De titel luidt: “Het eerste officieel Fransch te Antwerpen (1380-1406).
De verfransende Vlaams bewind werkt overigens ook later nog steeds na. De Boergondische hertogen verlenen aan de Antwerpenaars... meer Franstalige oorkonden dan aan de Brusselaars… De reden ligt voor de hand: die Franse vorsten uit het huis van Valois kunnen te Antwerpen immers voortbouwen op een traditie.
Het Frans zal er trouwens nog sterker aan invloed winnen wanneer Antwerpen in de 16de eeuw uitgroeit tot een echte handelsmetro-pool. De Fransen spelen immers een belangrijke rol in de internationale handel. Het “Franchois” wordt dan ook de voertaal in de Antwerpse beurs.
Zelfs de handelscorrespondentie van de Duitse Welsers uit Augsburg wordt in die taal gevoerd. In 1566 schrijft Hendrik Sudermann, namens de Duitse Hanze, Franse brieven naar de Scheldestad. Vier jaar eerder richt ook de Engelse Natie zich in dezelfde taal tot de Antwerpse stadsoverheid.
Het Frans is de gemeenschappelijk taal voor de Oosterlingen, Duitsers en Engelsen zoals blijkt uit de certificatieboeken bewaard op het Antwerps stadsarchief.
Een onderzoek in de archieven van de Scheldestad levert massa’s getuigenissen van de aanwezigheid van anderstalige kooplui. Velen daarvan vestigen zich voor langere tijd te Antwerpen.
NIET ALLEEN BUITENLANDSE KOOPLUI
Tijdens de 16de eeuw is het Frans de gebruikelijke taal van Willem van Oranje-Nassau en van Marnix van Sint-Aldegonde, zelfs voor strikt Antwerpse aangelegenheden.
Ook talrijke geboren Antwerpenaars schakelen over naar het Frans. Zelfs in de plaatselijke ambachten duikt die taal op. Zo kunnen bijvoorbeeld de leden van de Antwerpse houtbrekers tijdens de 16de eeuw hun eed niet alleen in het Nederlands maar ook in het Frans afleggen.
In de Antwerpse stedelijke administratie maakt het Frans opgang. Vóór 1520 worden de schepenakten meestal opgesteld in het Latijn. De schepenen van de Scheldestad leveren in die periode weinig Franse akten af. In de latere jaren gebeurt dit echter regelmatig. De stad Antwerpen neemt blijkbaar een aantal gebruiken van de Vlaamse steden over.
Het contrast met Brussel is groot.
Tot ca. 1520 stellen de Brusselse schepenen de rentebrieven en goederentransacties naar goede traditie verder op in het Latijn. Dit was trouwens ook elders in de Duitse landen gebruikelijk. Nadien wordt dat in Brussel vrijwel uitsluitend het Nederlands.
Het “Dietsch” of “Duytsch” werd evenwel al vanaf 1290 gebruikt voor stedelijke reglementen en verordeningen die alle inwoners van Brussel aanbelangden. De gewone Brusselaar moet die teksten probleemloos kunnen begrijpen.
De Brusselse schepenbrieven blijven dus in het Latijn (!) tot het begin van de 16de eeuw ... en niet in het Frans zoals Jan te Winkel later zal beweren.
INTERNATIONALISERING
Tijdens de middeleeuwen verschaffen talrijke steden voor kortere of langere tijd onderdak aan vreemde koop- en ambachtslui.
Dit blijft ook in latere eeuwen zo. Tijdens de 17de en 18de eeuw bieden gespecialiseerde vaklui uit Frankrijk hun diensten aan zowat overal in Europa.
Talrijke Franse vaklieden trekken naar Polen. Tussen 1635 en 1700 wonen alleen al in Warschau 413 Fransen. In Hongarije bestaat de bevolking van steden als Charleville, Saint-Hubert en Soltour uit Walen. Die hebben zich als dusdanig gehandhaafd tot in het begin de 19de eeuw. Ook de Russische tsaren en de Deense koningen doen een beroep op Franse ambachtslieden en kunstenaars. Spanje verschaft tijdens de 18de eeuw onderdak aan 100.000 Fransen waarvan er 20. 000 in Madrid verblijven.
TOERISME
Maar niet alleen handelaars doorkruisen Europa. Al is het “toerisme” tijdens het “Ancien Régime” nog lang niet het massagebeuren dat het later zal worden, toch trokken ook vroeger mensen naar andere landen.
Dit leidt tot de publicatie van reisgidsen, stadsplannen en stads-beschrijvingen in meerdere talen. Ook gravures met een of ander typisch gebouw of stadsgezicht zijn sterk in trek. Die prenten worden immers mee naar huis genomen als herinnering aan een verblijf in het buitenland.
Zo bestaan er talloze gravures, reisgidsen, stadsplannen, stadsbeschrijvingen gewijd aan Rome, Venetië , Firenze enz. die gesteld werden in het Frans, het Engels of het Duits.
Of men uit dergelijke publicaties echter iets mag afleiden aangaande het taalgebruik in die Italiaanse steden is natuurlijk een heel andere vraag.