Boeiende gesprekken aan de koffietafel (1) Rik Van Cauwelaert

RVC

Zijn recente boek “De laatste gouverneur”, met in de hoofdrol Alfons Verplaetse, gewezen gouverneur van de Nationale Bank van België, leest als een leerboek over de politieke besluitvorming, waarbij individuele politici én hun vertrouwelingen een veel grotere rol spelen dan de ‘verkozenen’. Veel democratie kwam er niet bij te pas.

De spelers

Pjotr: De énige garantie dat hun besluitvorming ook goed was voor het ‘algemeen belang’ was de morele integriteit en de deskundigheid van de individuele spelers. Waren alleen daarom zowel Verplaetse als zijn politieke opdrachtgever Jean-Luc Dehaene de ‘laatsten’?

Dat is meteen mijn eerste vraag aan de auteur, journalist en politiek commentator, Rik Van Cauwelaert:

Denkt u dat ‘de tijd van toen’ voorbij is? Is het omdat het beleid van de nationale staten steeds verder uitgehold wordt, of spelen nog andere factoren een rol, zoals het gebrek aan staatsmanschap bij de politici, de invloed van de particratie, het gebrek aan kennis bij de verkozenen en het gebrek aan vertrouwen tussen politici en ambtenaren?

RVC: Die tijd is voorbij. Omdat precies Europa de politieke regie grotendeels heeft overgenomen. Dat is een gevolg van de muntunie – een verregaand gevolg dat Fons Verplaetse zelf had onderschat. De regeringen en de parlementen worden nu met de eigen onmacht geconfronteerd. Geen enkele partij heeft ooit ernstig nagedacht over de nieuwe relatie met Europa. In sommige andere lidstaten moeten ministers de houding toelichten die ze tijdens een Europese bijeenkomst of topvergadering zullen aannemen. Hier is dat niet het geval. En dan volgen soms onaangename verrassingen.

De coalitiepartijen liggen nu als waakhonden rond de regeringen om ze te bewaken, niet om ze te controleren. Elke verkozene staat onder toezicht van zijn partijleiding. Van ambtenaren wordt verwacht dat ze de coalitie dienen, veeleer dan de goede werking van het staatsapparaat.

 

Zijn collega’s-gouverneurs beschouwden Verplaetse als ‘een gouverneur die aan politiek doet’. Recent zagen we datzelfde fenomeen tijdens de talrijke tv-optredens van virologen. Zijn specialisten een  alternatief voor het gebrek aan kennis van de verkozenen?   

RVC: Die twee zijn niet te vergelijken. Verplaetse had een taak. Hem was door toenmalige premier Jean-Luc Dehaene opgedragen ervoor te zorgen dat België tot de muntunie werd toegelaten. Zowel Wilfried Martens als Dehaene hebben Verplaetse de armslag gelaten die hij nodig achtte en hebben hun politieke verantwoordelijkheid opgenomen. Tijdens de COVID-crisis heeft de regering zich laten leiden door enkele experts die door de gebrekkige kennis binnen de regering – vooral die van premier Sophie Wilmès -  dat vacuüm meteen hebben ingevuld.

Pjotr: Individuele verkozenen zijn voor hun kennis aangewezen op de partij. Die blijken echter meer belangstelling te hebben voor de communicatie dan voor dossierkennis. Van hun verkozenen wordt immers verwacht dat ze ‘blindelings’ de partijstandpunten verdedigen. Daarom deze vraag:

Zou het niet veel beter zijn om een onafhankelijke studiedienst geleid door ‘civil servants’ toe te voegen aan de parlementen (voor hun bevoegdheidspakketten) zodat álle volksvertegenwoordigers zich onafhankelijk kunnen informeren over de pro én contra van de politieke keuzes?

RVC: De verkozenen hebben te beginnen met het Rekenhof tal van diensten en adviesraden ter beschikking. Alleen gebruiken ze die zelden of nooit. De fracties in het parlement hebben recht op medewerkers om hun onderzoekswerk en controlerende taak te ondersteunen. Helaas gebruiken ze die vooral voor hun communicatie en voor hun campagnes.

 

Goed bestuur

Pjotr: Over goed bestuur kunnen we veel vragen stellen, zo bijvoorbeeld over de noodzaak aan een maatschappelijk draagvlak. We herinneren ons maar al te goed de saga van de Oosterweelverbinding, de mobiliteitsoplossing voor Antwerpen. Ergens in een of andere achterkamer werd beslist dat er een ‘landmark’ moest komen. Iets zoals de Golden Gate Bridge voor San Francisco, waarop de Antwerpenaar trots kon zijn. Het zou langer dan een decennium duren vooraleer Bart De Wever eindelijk begreep dat er geen draagvlak voor was en het roer omgooide. Daarom mijn vraag:

Hoe komt het dat politici nog altijd denken dat ze zonder inspraak zelf kunnen beslissen over belangrijke dossiers en pas nadien ‘het volk moeten overtuigen van hun gelijk’? Dat het maatschappelijk draagvlak herleid mag en kan worden tot een communicatieprobleempje?

RVC: Dat is een gevolg van het denken op korte termijn. Politici laten zich meedrijven op het ritme van de peilingen. Ik ken geen voorbeelden van verkozenen die de boer op gaan om een of ander probleem te onderzoeken. De vragen die in het parlement worden gesteld aan de bevoegde ministers zijn bijna allemaal vragen die gebaseerd zijn op krantenartikelen van de afgelopen dagen. Terwijl een parlementslid een ongelooflijke macht heeft om zaken te onderzoeken, ook op het terrein.

Bijkomende vraag: Zopas werd in Zwitserland een referendum gehouden waardoor de invoering van een CO2-taks werd verwezen naar de prullenmand. Zijn referenda over belangrijke dossiers niet aangewezen om vooraf een draagvlak te bekomen of het beleid aan te passen?

RVC: De Koningskwestie heeft ervoor gezorgd dan men in België liever geen gebruik maakt van het referendum. Maar vandaag, na zes staatshervormingen, mag die ervaring geen belemmering meer zijn om alvast in Vlaanderen de  burgers te consulteren over belangrijke kwesties. Sommigen willen dat nu gaan doen via burgerforums. Dan liever een referendum.

 

De media

Pjotr: Het maatschappelijk draagvlak herleiden tot een communicatieprobleem heeft ervoor gezorgd dat de media een belangrijker rol spelen in de totstandkoming van de politieke beslissingen. Hun belang botst met de vaststelling dat de traditionele media heel laag scoren inzake geloofwaardigheid, net zoals de politici.

Het is een wijdverspreide overtuiging dat de media de bevolking éénzijdig informeren. In plaats van kritische waarnemers evolueerden ze: “Media zijn dus al lang geen neutrale toeschouwer in het maatschappelijk debat (…) Ze maken het spel moeilijker en ondoorzichtiger omdat ze, sedert de ontzuiling van de media niet langer een herkenbaar shirt aan hebben (Peter Vandermeersch in DS 15/10/2003).”

U bent zelf columnist voor de krant De Tijd en een bekend gezicht als politiek commentator tijdens tv-duidingsprogramma’s zoals ‘De Afspraak’. Misschien ligt mijn vraag moeilijk maar ik moet ze stellen: Klopt het dat de media politieke spelers geworden zijn die (politiek geïnspireerd) éénzijdig informeren – denk aan de positieve media-aandacht die de spijbelende klimaatjongeren kregen - en halsstarrig weigeren om het debat hieromtrent te voeren?

RVC: We hebben de zuilen afgebroken en missionarissen in de plaats gekregen. De rol van de media is informeren, zo breed mogelijk. Punt. Dat is in de COVID-crisis maar ook in andere dossiers, zoals bij voorbeeld de legeraankoop van de F-35, niet altijd gebeurd. Ik heb me ook geërgerd aan de hijgerige op clicks gerichte berichtgeving over de dolende militair Jürgen Conings. En da’s jammer.

Het bestuursniveau

Pjotr: De overdracht van de politieke besluitvorming naar het niveau van een kunstmatige politieke constructie, de EU, de NAVO of de VN, leidt onvermijdelijk tot een minder transparante en méér dictatoriale besluitvorming. De argumentatie voor méér macht op een hoger niveau is dat veel problemen, zoals bij voorbeeld de COVID-19-pandemie, niet stoppen aan de grenzen van de nationale staten. Tegelijk stellen we vast dat het pandemiebeleid én de resultaten in de nationale staten nogal verschillend is.

Daarom deze vraag:

Is een globalistisch dictatoriaal beleid beter dan een democratische besluitvorming om grote ethische, morele of materiële vraagstukken (denk maar aan de ongelijkheid, de migratie of het klimaat en de energieverzorging) aan te pakken?

RVC: Er is geen alternatief voor democratische besluitvorming. Aan de gevolgen van een zogeheten globalistisch beleid – over dat dictatoriale wil ik het nog niet hebben – wensen we niet te denken. Dat is vragen om miserie.

Sinds 1970 is België in een permanente staat van hervorming. De resultaten van de (partij)politieke compromissen bewijzen alvast dat het beleid niet gediend is door een complexe staatstructuur. Denkt u dat er tegen 2024 een duidelijke breuk komt met de compromissen à la belge’ of wordt het opnieuw een scheve dromedaris? Is de invulling van artikel 35 van de Grondwet de uitgelezen mogelijkheid om komaf te maken met de complexiteit van de staatsstructuur? Welke domeinen moeten volgens u toegewezen blijven aan het federale niveau en wat moet er gebeuren met Brussel als hoofdstad van België?

RVC: We kunnen ons geen nieuwe constitutionele dromedaris meer veroorloven. Ik hoop dat de regering van premier Alexander De Croo de deadline van 2024 haalt. De zesde staatshervorming heeft de vereenvoudiging van de staatsstructuur zeker niet in de hand gewerkt. Ik merk in Wallonië een bereidheid om te praten over de invulling van het fameuze artikel 35 van de Grondwet voor een strikte afbakening van wat we federaal nog samen willen beslissen. Alle andere bevoegdheden worden dan overgedragen naar de gewesten. In Wallonië lijkt een voorkeur te groeien voor een België met vier: Vlaanderen, Wallonië, Brussel en Duitstalig België. Dat vergt dan een grondig overleg over de rol van Brussel en de banden die zowel Vlaanderen als Wallonië met het hoofdstedelijk gebied willen bewaren. De Vlaamse Brusselaars zullen een keuze moeten maken. Ik hoor Brussels minister Sven Gatz beweren dat Brussel klaar is om op eigen benen te staan. Ik geloof dat niet. Maar als de Vlaamse Brusselaars dat willen, dan zal Vlaanderen een nieuwe hoofdstad moeten kiezen.

Politici die gooien met geld dat er niet is en subsidieverslaafden die floreren dankzij dat geld, is dat geen stap te ver en nefast voor de toekomst?

RVC: Tijdens de covid-crisis werd letterlijk met geld gegooid. Die facturen vallen binnenkort in de bus van de belastingbetalers. Daar valt niet aan te ontkomen. En als we het over de subsidiemolen hebben dan herinner ik graag aan wat Vlaams energieminister Zuhal Demir ooit openhartig toegaf: Vlaanderen spendeerde de voorbije 20 jaar maar liefst 30 miljard euro aan subsidies voor hernieuwbare energie en blijft niettemin ver beneden de gestelde klimaatdoelstellingen. 30 miljard euro. Laat dat even bezinken.

 

Pjotr: In 1972 publiceerde de Club van Rome een rapport onder de titel ' The Limits to Growth'. Hun nobel doel was om de kloof tussen arme en rijke landen (continenten) te dichten én om de voetafdruk van de sterk groeiende bevolking te doen afnemen.

Dat was nodig, want na de dekolonisering halfweg vorige eeuw slaagde het rijke Westen er niet in om via massale subsidiëring de levensstandaard in de ‘ontwikkelingslanden’ significant te verbeteren. Recentere uitspraken van topfiguren uit deze strekking maken duidelijk dat ze nu een andere weg willen bewandelen om de kloof te dichten: het rijke Westen verarmen. Vandaag wordt deze geopolitieke visie zichtbaar én voelbaar via alarmistische boodschappen over de opwarming van de aarde. Dat het klimaat en de ecologische voetafdruk twee verschillende problemen zijn, stoort hen helemaal niet.  

Hoewel géén enkele van de dramatische voorspelling van Al Gore is uitgekomen, blijft het IPCC vasthouden aan het dringend en dwingend karakter van drastische maatregelen om de menselijke CO2 te verminderen. Van statistieken weten we dat het interpretaties zijn van heel veel metingen. Voor de klimaatopwarming gaat het IPCC nog een stap verder: ze baseren zich op modellen die voorbijgaan aan de eigen wetenschappelijke publicaties waarin staat dat het klimaat een chaotisch systeem en daarom onvoorspelbaar is. Ze krijgen de steun van klimaatactivisten (ook in de media) die elk debat overbodig vinden.

Hoe kon het zo ver komen? Een van de redenen is dat het voor een kleine groep een win-win situatie is. De politici mogen gooien met geld voor investeringen én de ontvangers, zijnde zowel wetenschappelijke instellingen als bedrijven floreren dank zij deze subsidies. De bedrijven hoeven geen risico's te nemen, ze worden vooraf verzekerd van een hoog rendement.

Politici die gooien met geld (dat er niet is) en subsidieverslaafden die floreren dankzij dat geld, is dat een teken van goed bestuur of is het een bedreiging voor de welvaart van onze nakomelingen?

RVC: Niets is aangenamer dan het uitgeven van andermans geld. Het zou interessant zijn te achterhalen hoeveel de verschillende overheden in het land aan subsidies allerhande spenderen. Het bedrijfsleven, dat zich vaak ergert aan de inefficiënte overheid, staat altijd vooraan in de rij wanneer subsidies worden uitgedeeld. Zoals nu voor de bouw van gascentrales. Die komen er alleen als de overheid met subsidies over de brug komt. Let wel, onderzoek en ontwikkeling stimuleren is een taak van de overheid, dat geldt ook voor de ondersteuning van cultuur. Maar de grens tussen terechte subsidiëring en het ‘rondpoeieren’ van overheidsgeld is helaas steeds vager geworden.