Over Oude en Nieuwe Breuklijnen doorheen Europa

DALLE breuklijnDit artikel werd elders reeds 'ingekort' gepubliceerd. Dwarsliggers vinden het belangrijk om u het origineel artikel van Mark Geleyn onverkort te publiceren. 

 

Rafael, Gerechtigheid 1508. Fresco en Mosaic, Stanza of Segnatura.
Vatikaanse Musea, Rome

Van Stettin aan de Baltische Zee tot Triest aan de Adriatische Zee, is een ijzeren gordijn neergelaten, dwars doorheen het Europese continent”.  Zo sprak Winston Churchill in maart 1946 in een toespraak op een hogeschool in Fulton, Missouri.  Die breuklijn, met muren, prikkeldraad en wachttorens, bepaalde het Europees strategisch landschap bijna een halve eeuw lang.

Tot in 1989 de muur werd neergehaald, de prikkeldraad opgerold, de wachttorens afgebroken. Een nieuw tijdperk van verzoening, samenwerking en optimisme werd ingezet. Heel Europa was blij.

Breuklijnen in Europa

Maar er bleven andere breuklijnen lopen: breuklijnen tussen de liberale democratieën van West-Europa en de Midden-Europese naties die in 1989 vanonder de communistische betonlaag waren gekropen en in een beloftevolle, maar bedrieglijke geopolitieke context belandden. Die breuklijnen waren van culturele en emotionele aard en zij gaan tot ver in de geschiedenis terug. Die geschiedenis kende glorieperioden, zoals het Polen van de Jagiellonen of de verfijnde beschaving onder de Habsburgse Monarchie. Die geschiedenis kende ook gruwelen zoals de Duitse volkenmoord op de Joden, op Polen, op zigeuners, zoals de massale klassenmoorden door de Sovjets, de gedwongen volksverhuizingen van Balten, Polen en Duitsers, of de Trianon-vernedering van de Hongaren. Dit alles liet diepe littekens na in het collectieve denken van de Midden-Europese volken.

Maar ook in de relaties tussen West- en Midden-Europa zijn er diepe littekens: de restanten van hoopvolle verwachtingen en van bittere teleurstellingen.

De apocalyptische dimensie van mensenleed dat Midden- en Oost-Europa in de twintigste eeuw doormaakten, is West-Europa bespaard gebleven. West-Europeërs zijn zich amper bewust van wat zich in Midden- en Oost-Europa heeft afgespeeld en hoe dat alles nog weegt op de mentaliteiten in die landen. In West-Europa is er sowieso weinig empathie voor de Midden-Europese naties, wel een grote mate van neerbuigendheid bij Westerse regeerders tegenover die wirwar van lastige volkeren met hun onmogelijke talen. Op hun beurt hebben Midden-Europese volken rancunes opgekropt omwille van ontgoochelingen uit het verleden. Die rancunes dateren niet van na 1989, maar gaan een heel stuk in de geschiedenis terug.

Om in de twintigste eeuw te blijven:

  • In 1920 weerstond het jonge Polen helemaal alleen aan een massale inval van het Rode Leger dat de dictatuur van het proletariaat aan heel Europa wilde opleggen. In de legendarische slag van Warschau blokkeerden de Poolse troepen de opmars en redden zodoende Europa van het bolsjewisme. Deze oorlog is in West-Europa quasi ongekend. Niet zo in Polen.
  • In 1938 versjacherden Frankrijk en Engeland Tsjechoslowakije aan Hitler-Duitsland, in naam van “peace in our time”. Een jaar later beloofde Londen, en daarna ook Parijs, Polen wel bijstand, en zij verklaarden Duitsland de oorlog toen Polen in september 1939 werd aangevallen. Polen is het land dat waarschijnlijk het zwaarst onder de oorlog te lijden had, maar dat door zijn interne weerstand en met zijn soldaten in de geallieerde legers veel tot de overwinning had bijgedragen. Narvik, Duinkerken, Battle of Britain, Normandië, Monte Cassino: namen die getuigen van de Poolse opofferingen. Maar na de oorlog weigerde de Britse regering, om Stalin niet te bruskeren, een Pools detachement aan de overwinningsparade in Londen te laten deelnemen…
  • In 1956 verpletterden Sovjettroepen de Hongaarse opstandelingen. Die hadden de NAVO om hulp geroepen, maar de VS en West Europa beslisten – laf maar realpolitisch wijs - om niet tussen te komen. De herinnering aan deze weigering zit diep in de collectieve herinnering van de Hongaren.
  • De situatie herhaalde zich in 1968 in Tsjechoslovakije. De Sovjets sloegen de Praagse Lente neer, zonder dat het Westen tussenkwam.
  • In Polen kondigde premier Jaruzelski in 1982 de noodtoestand af en vermeed zo waarschijnlijk een interventie van Moskou. De emotionele verbondenheid in het Westen voor de vakbond Solidarnosc van Lech Walesa was groot (“Let Poland be Poland”), maar daar bleef het bij.
  • (Een bijgedachte: zal Oekraïne een Minsk III moeten ondergaan, omdat het Westen zijn steun stopt, hopende op een “nieuwe dialoog” met Moskou? In naam van “peace in our time”?

De littekens uit het verleden blijven het beleid bepalen

De ervaringen uit dat dramatisch verleden tekenen het denken van nu. Na de communistische ontworteling van hun samenlevingen, zochten de Midden-Europese volken opnieuw houvast in de vroegere cultuurpatronen, in het christelijk geloof, en in de eigen natie als eerste kader van solidariteit. Ook speelt de reflex om zich, na de onderdrukking door Moskou, als souverein land niet opnieuw door het buitenland te laten voorschrijven hoe ze moeten leven.

Dat verleden verklaart ook waarom die staten in de jaren negentig frenetiek zochten naar een strategisch dak boven het hoofd, en dus naar de bijstandsgarantie van artikel 5 van de NAVO. Wel moesten Balten en Polen ontgoocheld vaststellen dat Russische delegaties al vόόr hen op de NAVO in Evere ontvangen waren en dat zij zelf pas later uitgenodigd werden. Die eeuwige Westerse gevoeligheid voor Russische belangen.

Met een zwaar geladen emotionele rugzak vol herinneringen en ontgoochelingen, konden de Midden-Europese landen lid worden van de NAVO en de EU.

Zij belandden echter niet in de hemel, maar in Brussel.

Een heel ander parcours in West Europa

West-Europese landen hebben na de oorlog een heel ander parcours afgelegd: een parcours van integratie. De vaders van de Europese gedachte ging het om verzoening, om het overwinnen van oude vijandschappen, om het herstel van het mensbeeld en een herbronning van de christelijke inspiratie van de Europese beschaving. Die wil om Europa één te maken, te integreren, hoorde daarbij. Die wil was zo uitgesproken dat een nationale reflex vaak als voorbijgestreefd afgedaan werd, ja zelfs als een verwerpelijke ontsporing uit het voorbije verleden. Het resultaat was dat de lidstaten belangrijke pakketten van hun soevereiniteit overdroegen aan supranationale instanties.

Zo ontstond een supranationale administratie van hooggeschoolde, hoogbetaalde ambtenaren, met een uitgesproken liberaal levensbeeld, zonder binding met land, geloof, traditie, met een beroepsethos die neerkijkt op het nationale kader en die zoveel mogelijk wil overhevelen naar het supranationale. De nieuwe lidstaten uit Midden-Europa beschouwen zij als staten “die nog veel te leren hebben”, die nog niet keurig meelopen in de pas van het liberalistisch progressisme.

Daarnaast waren er in West-Europa bevreemdende mentaliteitsveranderingen aan de gang, en waar sommige Midden-Europese lidstaten het heel moeilijk mee hadden. Het liberale denkmodel, dat de Westerse samenlevingen begon te monopoliseren, maakte de moraal ondergeschikt aan een verabsoluteerde individuele autonomie. Dat denkmodel bleek nefast voor de idealen die de vaders van Europa zich gesteld hadden. Religie moest verdwijnen uit de res publica. Het liberalisme gold voortaan als enig mogelijke politieke filosofie. Liberalisme en individuele autonomie waren ook de brandstof voor een seksuele revolutie die het gezin en de christelijke moraal zou aantasten, die de natuur van de mens als manipuleerbaar beschouwt, en die nu begonnen is aan de seksualisering van het kind. De West Europese samenleving ontspoorde.

Het scherpst hebben Polen en Hongarije zich afgezet van dit op hol geslagen maatschappijmodel. Beide landen kozen bewust voor een samenlevingsmodel dat voorrang verleent aan het gezin, aan het Godsbesef, en aan de natie. Zij kozen voor de terugkeer van “the strong gods”.

Daarmee kwam onvermijdelijk tot een botsing met het politieke denken in West-Europa en bij de EU-instellingen, in “Brussel”. Het conflict met Warschau spitste zich toe op de controle over de rechterlijke macht. De regering Morawiecki wilde doen wat de Duitsers na 1989 hadden gedaan: de rechterlijke macht zuiveren van communisten. Daarvoor was een hervorming van het gerechtelijk apparaat nodig. Het Europees Hof van Justitie zag die hervorming als een inbreuk op de gerechtelijke onafhankelijkheid. Het Pools grondwettelijk hof benadrukte bovendien dat de Poolse wet voorrang had op EU-verdragen. Het Duitse Bundesverfassungsgericht vindt dat ook, maar gaat subtieler te werk: het “toetst” EU-recht aan Duits recht.

Hongarije streeft nadrukkelijk het herstel na van een ouderwetse christendemocratie, geworteld in Europese tradities, wil prioriteit voor de natie en geen afstand van soevereiniteit aan een supranationaal “imperium”.  Het wil de immigratie tot een minimum beperken. Budapest stemde ook een wet op kinderrechten die verbiedt dat homoseksualiteit en genderoperaties in scholen en tv aan minderjarigen getoond worden. In West-Europa heet dat dan een antihomowet. Hongarije werd ervan beschuldigd de vrijheid van pers, universiteiten en ngo’s te beknotten, lgbt-rechten te schenden en immigranten te weigeren

Tegen deze twee lidstaten zetten de liberale West-Europese staten, gesteund door de EU-ambtenarij, twee zware wapens in: de beschuldiging van schending van de rechtstaat en het inhouden van miljarden aan cohesiefondsen als drukmiddel.

Het inzetten van het concept rechtstaat toont aan hoe het politieke denken vergiftigd is door een liberale democratie die voor zich aanspraak maakt op een monopolie van legitieme autoriteit, die zichzelf ziet als de enig aanvaardbare politieke filosofie en die zich identificeert met rechtsstaat. Dat is een grondig foute visie. Liberalisme is geen synoniem voor rechtsstaat. Democratie staat niet gelijk aan liberalisme. Er zijn wel degelijk legitieme alternatieve politieke filosofieën, zoals de christendemocratie of de sociaaldemocratie. Hongarije noemt zich bij monde van premier Orban een christendemocratie zoals die in West Europa nog tot voor 25 jaar gold.

Het gaat hier dus niet om een juridisch geschil, maar om een politiek conflict tussen twee botsende maatschappijvisies.

Nu is in Polen in december 2023 een links-liberale coalitie aan de macht gekomen die de West-Europese staten in recordtijd schijnt te willen bijbenen: staats-TV opgedoekt, migratieakkoord ondertekend, kerstkribben en kruisen verwijderd, lgbt-ideologie en abortus op het program. Alles waarvan linksliberalen de vorige Poolse PiS-regering beschuldigden te willen beramen, doet de regering Tusk nu zelf - meedogenloos. Nu zogezegd "ter verdediging van de rechtsstaat". En Brussel is tevreden met deze Gleichschaltung.

Er gaapt nog een andere grote kloof doorheen Europa. In het omarmen van het liberale gedachtengoed, verwierp de West-Europese politiek, academische wereld, media en intelligentsia, de metafysische basis van de rechtsorde, die was overgeërfd vanuit het Jodendom, Hellas, Rome en de middeleeuwse christelijke synthese. Precies terwijl die metafysische basis, na de ravage van een halve eeuw communisme, in Midden-Europa opnieuw ontdekt wordt.

Tekenend voor die kloof is manier waarop het Godsbesef in de grondwetten wel of niet is ingeschreven. De Europese Grondwet verwijst niet naar God. Van 2003 tot 2007 liep daarover een scherp debat, in nationale parlementen en in de Europese Raad. Het waren president Chirac en kanselier Schröder die zich tegen een nominatio Dei verzetten. Het grof gevecht lieten ze over aan de Belgische liberalen Verhofstadt en Michel, die dat met gusto deden en zich als atheïstische stoottroepen gedroegen.

Slechts vijf grondwetten in Europa verwijzen naar het Opperwezen. De preambule van de Duitse grondwet begint met de zin “Im Bewußtsein seiner Verantwortung vor Gott und den Menschen …”. De Poolse grondwet vermeldt dat “De Poolse natie, zowel zij die in God geloven als de bron van waarheid, rechtvaardigheid en schoonheid, als zij die dit geloof niet delen, maar universele waarden respecteren vanuit andere bronnen …”.  De nieuwe Hongaarse grondwet van 2012 begint met de woorden: “God zegene de Hongaren … Wij zijn trots dat onze koning de heilige Stefanus duizend jaar geleden de Hongaarse Staat … deelachtig maakte aan het Christen Europa”. Terloops: die grondwet beschermt ook uitdrukkelijk het ongeboren leven, en definieert huwelijk als een unie van man en vrouw.

Het is op dat niveau dat de kern van de nijd van het West-Europees liberalisme voor landen als Polen en Hongarije moet gezocht worden. Ω

                                                                                                                              Mark Geleyn, 14 januari 2024

DALLE breuklijnDALL-E : Kind tussen wachttorens, prikkeldraad, ... (IJzeren Gordijn)