sheep flock of sheep pasture agricultureNa de val van het Oostblok is de westerse cultuur (ik zou niet van beschaving willen spreken) ernstig in verval geraakt. De talloze analyses daarover kunnen we beter niet herhalen, maar we volstaan hier met de constatering dat democratische stelsels werden uitgehold door enorme machtsconcentraties in de marktsector.

Financiële instellingen, beleggers, multinationals en bijzonder vermogende lieden (of oligarchen) speelden landen tegen elkaar uit in een race naar de bodem – dat wil zeggen; zij verplaatsten hun kapitaal en hoofdactiviteiten naar landen waar de belastingen, overheidstoezicht en rechtsbescherming van werknemers het geringst waren en dwongen landen op die fronten met elkaar te concurreren – hetgeen tot verpaupering, verwaarlozing van de collectieve sector en groeiende onvrede over het politieke systeem leidde. Elites die nog wel profiteerden van deze gang van zaken hingen steeds ijlere idealen aan en verloren door de zelfgekozen isolatie van de dagelijkse maatschappelijke realiteit elke binding met de noden, behoeften en wensen van het ‘gewone volk.’ Met als ultieme uiting daarvan de tamelijk arrogante uitingen van het World Economic Forum (WEF), dat niet in de astronomisch toegenomen ongelijkheid in kansen en vermogen geen probleem zag, maar wél in de wanhopige onredelijkheid van gewone mensen.

De burger is sinds begin jaren ’90 domweg onder de trein gesmeten. Met beloften van ultieme zelfbeschikking, keuzevrijheid en immer toenemende efficiëntie zou de markt de overheid zo goed als overbodig maken. Mensen zouden voortaan meesters van hun eigen lot zijn en bedrijven zouden daarin voorzien. Dat een aanzienlijk deel van de bevolking nooit in staat zou zijn tot die zelfbeschikking, ontging de wegbereiders van dit liberale paradijs. Door aan het onderwijs te sleutelen en het voorzien van wat aanvullende sociale voorzieningen zou iedereen omgetoverd worden tot een superversie van de mens, hoe ziek of invalide men ook was. Dit was ‘de participatiemaatschappij.’ Iedereen moest meedoen, willen of niet.

Vrede en veiligheid zouden met de ‘soft power’ van internationale handel afgedwongen worden en oorlog zou iets van het verleden zijn. De annexatie van Koeweit door Irak in 1990, het uiteenvallen van Joegoslavië, de genocide in Rwanda en Burundi, de heerschappij van krijgsheren in Somalië en zoveel meer kleinere maar even schrijnende kwesties had ons toen al van het tegendeel van deze luchtfietserij moeten doordringen. Maar we waren even als Francis Fukuyama in de zevende hemel en wensten niet meer op aarde terug te keren. En we zagen de noden van voormalige Sovjetburgers enkel als een stofje op ons voor het overige brandschone geweten; een stofje dat met en achteloos gebaar weggewuifd kon worden. De westerse cultuur in overwinningsroes had het te druk met volwassen zaken, om zich over de groeiende wrok van achterlijke Russen te bekommeren.

Niets geleerd van het Verdrag van Versailles, dat Duitsland nodeloos vernederde en in chaos stortte. Want, zo wist menig modieus historicus te melden, de geschiedenis herhaalt zich nooit. En dus stortte men zich navelstarend op onderwerpen als het verderfelijke westerse imperialisme, de onderdrukking van vrouwen en minderheden. De zelfkastijding deed en doet potsierlijk aan. Ons geweten moest gezuiverd worden en we konden ons even niet om acuut en schrijnend leed bekommeren. Ongeacht of de werkelijke noden zich nu ver van onze landsgrenzen of zich vlak voor onze deur afspeelden.

Zo kon het gebeuren dat mensen aan de onderkant van westerse, beschaafde landen, op het randje van het bestaan werden gehouden en de boodschap meekregen, dat zij aan karakterzwakte leden, terwijl falende CEO’s van banken die de hele wereld in diepe crises stortten hun zakken vulden en er met een afkoopsom op kosten van de klant vanaf kwamen. Evenzo kon het ook gebeuren dat mensen die ook zonder enige vorm van racisme constateerden dat de integratie van niet-westerse immigranten te wensen overliet en dat zij de sociale verzekeringsstelsels dreigden te overbelasten werden weggezet als verwerpelijke xenofoben. Mensen die steekhoudende kritiek hadden op de omwaardering van onze geschiedenis en tradities werden ervan beticht misdaden door eerdere generaties met fascistoïde geestdrift te verheerlijken. En mensen die bij herhaling het klimaatalarmisme kritisch bevraagden en zich zorgen maakte over de sociale en economische gevolgen waren ‘ontkenners,’ alsof zij de Holocaust ontkenden en daarmee van hetzelfde laken een pak waren. Mondje houden, braaf ‘ja en amen’ knikken of de toorn van het twitterende ’Ministry of Truth’ riskeren.

Ook de drukte om de verscheidenheid van genders, die niet alleen om erkenning maar zelfs taalkundige hervormingen eisten, was een uiting van hoe vocale en lichtgevoelige minderheden zaken erdoor probeerden te drukken met behulp van de elites, zonder dat daar ook maar een breed gevoerd maatschappelijk debat aan te pas kwam. De zogenaamde politieke correctheid kreeg de trekken van de Spaanse Inquisitie of de jacht op communisten in de VS door McCarthy. Wie de legitimiteit ervan betwijfelde was meteen verdacht, tegenspraak kon op autoritaire en onverbiddelijke ‘opheffing’ (cancelation)op sociale media rekenen en menigeen heeft zijn of haar reputatie vernietigd zien worden door haast religieuze fanatici.

De tegenbeweging die ontstond was niet minder reactionair. Aloude ressentimenten doken op en hulden zich al dan niet verbloemd in exact die eigenschappen waarvan PC-aanhangers gematigde lieden hadden beschuldigd. In sommige kringen werd de Hitlergroet nog net niet gebracht, maar in taal, symboliek en onverhulde haat deden ze niet onder voor nazisme. En nog zag men de parallel met de Weimar Republiek in Duitsland niet. Waar staat en samenleving falen groeit extremisme als onkruid en daar helpt geen deftige morele verontwaardiging tegen.

En terwijl de wolven aan de uitersten van het politieke spectrum elkaar verslonden, vulden de vermogenden der aarde onverstoorbaar hun zakken en werden de lasten voor burgers zelfs zo hoog, dat voor het eerst sinds de Renaissance de middenklasse op zijn retour was. Dezelfde middenklasse zonder welke welvaart, democratie, rechtsstaat en wetenschappelijke vooruitgang niet mogelijk waren geworden. In hoog tempo brokkelde de financieel-economische basis af en vielen mensen aan de onderzijde van de middenklasse – waaronder middenstanders en kleine ondernemers – in het moeras van de ‘betreurenswaardigen’ (vrij naar ‘deplorables,’ zoals Hillary Clinton ze noemde) ingedrukt. Wat er nog aan bestaanszekerheid restte bevond zich tamelijk ver boven het gewoel van gewone stervelingen; met minder dan miljoenen op de bank en gewiekste beleggings- en belastingadviseurs is men zijn inkomen niet meer zeker. De staat herverdeelt de middelen zo, dat de kosten van het samenleven van onderen naar boven stromen. De basis moet zichzelf maar redden.

Westerse samenlevingen zijn daardoor tot op de draad versleten en in elk opzicht verdeeld geraakt.

President Poetin zag daarin het signaal om zijn slag te slaan. Hij zou dat verweekte Westen eens laten zien wat echte macht vermag. Alle verwachtingen ten spijt verstomde het gekrakeel in het Westen even – heel even maar – en daalde links en rechts, hoog en laag het besef in hoe kwetsbaar we zijn geworden door het najagen van wind. Even leek het Westen op de inwoners van dat Gallische dorpje uit Asterix en Obelix. Die sloegen elkaar met genoegen de hersens in over de vraag of een vis wel vers was, tot de Romeinen voor hun poort verscheen en de Galliërs al hun frustratie op de arme legionairs konden uitleven.

Poetins wraaklust was precies wat de dokter had voorgeschreven. Om interne strijd te stoppen is niets zo heilzaam als iemand die zich als externe vijand aandient.

Wat had Rudyard Kippling het bij het rechte eind, toen hij dichtte:

“God and soldiers men adore,
in times of war, not before.”

Geldt dat niet voor alle wezenlijke zaken? Mensen zijn vreemde wezens; ze schatten die pas op waarde als ze die dreigen te verliezen.

Laten we hopen dat deze tragedie de aanzet vormt voor een herijking op de meest fundamentele waarden die de westerse cultuur en daarbuiten goede zaken hebben opgeleverd. Democratie; een sociaal contract tussen bestuurders en kiezers, welvaart ook voor de minst bedeelden, vredelievendheid, ruimdenkendheid en tolerantie voor het niet-eigene zonder (!) concessies te doen aan de eigen kernwaarden, ondernemerschap, optimisme, redelijkheid, kritisch vermogen en wetenschappelijke vooruitgang.

En laten we hopen, dat wij, deelnemers aan deze cultuur, niet weer de fout van het Verdrag van Versailles zullen maken, door het bestaan van gewone Russen ondraaglijk te maken voor misdaden die hun despoten maken. Wij hebben Duitsland vergeven en daar in elk geval een vreedzame buur aan over gehouden, die ons deelgenoot van zijn welvaart heeft gemaakt. Rusland zal op enig moment op eenzelfde behandeling moeten kunnen rekenen. Als wij ons weer in triomfisme hullen en Rusland met de nek blijven aankijken, dan zal Poetin niet de laatste despoot zijn die zich tot geweld aangetrokken voelt.

Zo zou deze crisis, afgezien van de potentiële inzet van kernwapens, wellicht toch iets goeds kunnen teweegbrengen. Het is echter schrijnend dat de mensen in Oekraïne daar de prijs voor betalen. Het enige dat wij daar redelijkerwijs aan kunnen doen, is die prijs vergelden met concrete steun en de belofte, dat het land niet alleen staat als de wederopbouw aan de orde is.

Maar hoelang zullen de hervonden focus en eensgezindheid duren? Mensen zijn nu alweer ‘Oekraïne-murw’ en kijken liever naar een film of Netflix, dan de stoet van deskundologen aan te horen. De in ijltempo stijgende kosten voor levensonderhoud drukken ons bovendien op het feit, dat niets vanzelfsprekend meer is. Wie zal vanuit authentieke betrokkenheid deze koe bij de horens vatten/ En wie zal er politieke munt uit willen slaan? Onder het vernis van herwonnen realiteitsbesef en redelijkheid manifesteren zich alweer kleine scheurtjes, die duiden op structurele tekortkomingen in de constructie van onze maatschappij. Wie nu geen grootschalig onderhoud pleegt zal snel tot de conclusie komen, dat elk huis in de eerste plaats een stevig fundament en dito geraamte nodig heeft. De kleur van de kozijnen en gordijnen zijn van generlei belang.

We zijn op een waterscheiding aangekomen. Nu moet blijken of de westerse cultuur in staat is zichzelf te herijken en datgene te laten prevaleren dat van wezenlijk belang is. Laten we de waan van de dag voor wat die is, of zal die de realiteit in het parallelle universum van massa- en sociale media weer links en rechts gaan inhalen? We zullen zien. Reden om er gerust op te zijn is er vooralsnog beslist niet.