General Dynamics F 16 Fighting Falcon1 Dossier

F 35 Money 4 copy

Dossier vervanging F-16: De vervanging van de F-16 is een complex dossier maar toch boeiend voor een ruimer publiek. Terwijl het evident is dat de regering beslist over de al of niet vervanging van de F-16, en de defensieminister herhaaldelijk verklaarde nog geen keuze gemaakt te hebben, is de vraag wie beslist over welk vliegtuig aangekocht wordt helemaal niet evident: de generaal, de wapenlobby of toch de minister? Een poging tot verduidelijking.

 

 

Ter herinnering

De aankoop van 116 F-16’s, vanaf 1975 was een belangrijk aankoopdossier waarin veel belangen meespeelden en waar een bevoorrechte getuige ons soms pittige details over gaf. Laten we de essentie samenvatten:

Het werd een gemeenschappelijke aankoop van België samen met Nederland, Denemarken en Noorwegen. En zoals gebruikelijk bij dergelijke ‘aankoop van de eeuw’ speelden economische return een belangrijke rol bij de keuze van de kandidaat. Maar er was wel minder keus dan nu het geval is.

De asymmetrie tussen Vlaanderen zonder wapenindustrie en Wallonië met zowel in Luik als Charleroi, en in Brussel capaciteit om deel te nemen aan de productie van de F-16 zorgde ook toen voor heel wat communautair getouwtrek. Eerste MinisterTindemans zorgde ervoor dat die scheeftrekking tussen Vlaanderen en Wallonië enigszins werd goedgemaakt door naast de directe return (deelname aan de productie door FN Moteurs, nu Techspace Aerospace, Sonaca en Sabca) voor de toekomst ook semi-directe en indirecte compensaties (compensaties die geen rechtstreeks verband houden met de productie van het vliegtuig) te voorzien. Daardoor kon Vlaanderen nog rekenen op 22 % van de economische return voor de bijkomende aankoop van 44 F-16 en op 54% voor het F-16 moderniseringsprogramma (MLU - Mid Life Update).

De aanvankelijke Franstalige weerstand tegen een vliegtuig van Amerikaanse makelij (zowel politici met Van den Boeynants op kop als de Franstalige luchtmacht-top aangevoerd door luitenant-generaal Debeche ) verdampte toen duidelijk werd dat het Luikse FN moteur de motoren mocht leveren voor de 348 Europese toestellen. Enkel de socialisten uit Charleroi bleven nog wat tegenspartelen.

De latere luchtmacht-programma’s Airbus 400M en de helikopters NH90 daarentegen konden niet rekenen op de steun van toenmalig eerste minister Verhofstadt, die zelfs de gerechtigde vragen van partijgenoten en Vlaamse ministers voor economie, Dirk Van Mechelen, Fientje Moerman en nadien Patricia Ceysens negeerde, waardoor Vlaanderen (en zelfs heel België) verstoken bleef van zijn rechtmatig aandeel. Deze peperdure programma's tonen aan dat politieke en niet militaire criteria evenzeer kunnen leiden tot geldverspilling.

We kunnen leren van deze ervaring met de F-16 maar de wereld stond sindsdien niet stil en er zijn ook grote verschillen tussen het aankoopdossier F-16 en het huidige.

Vooreerst was er in 2002 de keuze van Nederland, Denemarken en Noorwegen om mee te stappen in het ‘Joint Strike Fighter’ programma. België deed niet mee en kan daarom niet mee genieten van dezelfde economische voordelen in geval gekozen wordt voor de F-35A. Anderzijds heeft België wel nog een keuzemogelijkheid - die gezien de grote vertraging en problemen met de ontwikkeling van de F-35 – wel eens heel belangrijk zou kunnen zijn.

Naast de F-35A zijn er vier officiële kandidaten die, volgens een zeer beproefde industriële logica, voortbouwen op een bestaand model maar uitgerust zijn met de meest geavanceerde IT- en communicatiesystemen, radars en bewapening (zelfs een betere infrarood detectie en doelaanwijzing dan de F-35A). Het enige dat ze niet hebben is de (stealth) hoge graad van onzichtbaarheid die de F-35A wel heeft en de hoge graad van IT-netwerking (als de problemen kunnen opgelost worden).

Kostprijs levensduur

Hoewel de prijzen ultra geheim zijn en opgedeeld worden in heel veel niet vergelijkbare onderdelen, kunnen we er toch van uitgaan dat er grote verschillen zijn. Wat we ondertussen vernamen is dat Qatar 24 Rafale vliegtuigen van Dassault kocht voor 7,5 miljard US dollar of 312 miljoen dollar per vliegtuig. Zeer duur, inderdaad maar daarin zit ook de kostprijs voor de training van de 36 piloten en 100 onderhoudsspecialisten, plus een initiële stock wapens waaronder kruisraketten en Meteor lucht-lucht raketten. Deze laatste zijn ook te vinden in andere moderne gevechtsvliegtuigen zoals de Saab Gripen maar niet in de F-35A. Deze informatie geeft wel aan dat het voorziene budget van 3,5 miljard euro voor de opvolger van de F-16, heel weinig is tenzij men ‘bespaart’ op de bewapening en de logistiek, en de kostprijs daarvan verschoven werd naar ‘later’.

Rafale RIAT 2009 3751416421 500

Dassault Rafale

 

Uit recente bronnen onthielden we voor de aankoopprijs volgende cijfers: de Gripen E/F van Saab is de goedkoopste met een prijs van iets meer dan vijftig miljoen dollar (de nieuwste versie van de F-16 ‘Viper’ doet nog iets beter). Daarenboven zijn de werkingskosten van de Gripen eveneens de laagste met bijna vijfduizend dollar per vlieguur, tegenover 21.000 dollar voor de F-35A of viermaal duurder dan de Gripen. De andere kandidaten liggen tussen deze in met een Rafale die bijna even duur is als de F-35A maar wel goedkoper in werkingskosten.

Volgens kolonel Van Pee in het parlement meedeelde zou de globale kost, gespreid over veertig jaar uitkomen op 14,967 miljard euro. Het lijkt mij een raadsel hoe de kolonel dat zo precies kan weten als de keuze van het vliegtuig nog niet zou gemaakt zijn. Maar wat we vooral moeten onthouden uit deze cijfers is dat

80% van de kostprijs slaat op de werkingskosten en slechts 20 % voor de aankoop van het (naakte) vliegtuig.

Dat leert ons dat 11,973 miljard dollar voorzien is als werkingskost, terwijl dat voor het zelfde aantal gevechtsvliegtuigen van het type Gripen afgerond 3 miljard dollar zou bedragen. Ook al zouden dat maar schattingen zijn, dan nog is het duidelijk dat de Gripen een te overwegen keuze is. Dat was alvast zo voor de Zwitserse Luchtmacht en de Gripen is al in gebruik bij NAVO-partners Tsjechië en Hongarije. Interessant ook omdat voor eenzelfde budget een groter aantal vliegtuigen kan in gebruik genomen worden. En aantallen zijn belangrijk, zowel voor de trainingsmogelijkheden (vooral een zéér groot probleem indien slechts 34 F-35A beschikbaar zijn) als voor een langdurige inzet in operaties. Maar voor alles is er het gegeven dat volgens meerdere experts de Gripen een uitstekend vliegtuig is dat geschikt is voor de opdrachten van onze Luchtmacht.

1025448 A Swedish JAS 39 Gripen returns to the play areas of the Arctic Challenge exercise 500

Saab JAS 39 Gripen (oudere versie)

 

Van Pee relativeerde deze hoge werkingskost, want “per jaar is dat ongeveer 470 miljoen euro, of zowat 15 procent van het huidige budget van Defensie.” Ter vergelijking: voor 2015 werd een budget van 307,8 miljoen euro voorzien voor de werkingskosten van alle wapensystemen, waarvan slechts 168,2 miljoen Euro voor de F-16.

Het vermeldde bedrag van 470 miljoen euro stemt daarenboven niet overeen met het opgegeven globaal bedrag van 15 miljard euro voor veertig jaar, wat slechts 374 miljoen euro per jaar zou zijn. Blijkbaar moet er dus jaarlijks nog zo’n honderd miljoen euro voorzien worden op een andere uitgavepost?

Een misleidende voorstelling in elk geval, want die 470 miljoen euro zijn onderdeel van het beschikbare budget voor de werkingskosten van alle krijgsmachtdelen, en meer dan het budget van 2015 voor ALLE wapensystemen samen. Met een jaarlijks werkingsbudget dat minder dan 20 % van het totale defensie budget bedraagt, betekent deze uitgave volgens een kleine berekening (15% van 20 %) dat

75 % van het jaarlijkse werkingsbudget Defensie nodig is enkel en alleen voor deze 34 vliegtuigen.

Zelfs wanneer men daar het aandeel ‘aankoop en eenmalige kosten’ van aftrekt, blijft het een totaal onmogelijke opgave om met de resterende overschotjes de wapensystemen van de Landmacht en de Marine nog voldoende werkingsmiddelen te geven.

Een stand van zaken

Het was tijdens de vorige regeerperiode, met Pieter De Crem als defensieminister dat de Generale Staf (onder leiding van Luchtmachtgeneraal Van Caelenberge) het aankoopdossier voor de vervanging van de F-16 op tafel legde. Dat resulteerde in

  1. de keuze van vijf kandidaten en
  2. het publiceren van een vraag om informatie (RFI) aan de vijf vliegtuigbouwers.

In dat document staan twee belangrijke vereisten vermeld:

  1. het vliegtuig moet de capaciteit hebben om naast conventionele ook nucleaire wapens te kunnen inzetten en
  2. wij moeten eigenaar zijn van de broncode van de IT-systemen, zodat we desgewenst zelf de IT-capaciteiten zouden kunnen aanpassen en niet afhankelijk blijven van de verkoper.

Wanneer we de vijf kandidaat-opvolgers toetsen aan die beide vereisten, komen we tot de bizarre vaststelling dat GEEN enkele kandidaat van de vijf voldoet. De Amerikaanse regering voorziet immers enkel de Amerikaanse F-35A (Lockheed Martin) om nucleaire wapens in te zetten (de Franse en Zweedse regering weigeren trouwens deze optie toe te laten) maar dezelfde VS-regering weigert (om gegronde veiligheidsredenen) de broncode vrij te geven. Enkel voor Israël zou men een uitzondering toestaan. Hoe begrijpelijk dat technisch ook mag zijn, politiek betekent dit (samen met nog andere IT-gebruiksrestricties) een onvoorwaardelijke afhankelijkheid van de VS.

Daarom is de keuze van de opvolger bovenal een politieke keuze.

In het regeerakkoord van de huidige regering staat onder meer de aankoop van een opvolger en dus werkt(e) defensie aan het opstellen van een aankoopdossier dat vervolgens de principiële goedkeuring moet krijgen van de regeringstop. En dan volgt de lange weg van de openbare aanbesteding met allerlei aspecten zoals economische compensaties en niet te vergeten de subsidiaire programma’s voor een de aan te passen infrastructuur, de vorming en opleiding van piloten, …

Wie kiest de opvolger?

Defensieminister Steven Vandeput heeft reeds meermaals laten weten dat hij nog geen keuze gemaakt heeft. Dat belette hem niet om openlijk steun te vragen voor dezelfde keuze als Nederland: de F-35A van Lockheed Martin.

Maar de vraag blijft of de Luchtmacht al een keuze gemaakt heeft en in hoeverre deze keuze niet definitief is? Een poging om klaarheid te scheppen.

De voorbereiding van een aankoopdossier volgt een heel lange weg en de verantwoordelijke Hoger Officieren (burgerlijk ingenieurs en piloten) zijn reeds jaren informatie aan het verzamelen over elke mogelijke kandidaat. Veelvuldige contacten met de verschillende firma’s, resultaten van testen en ervaringen van collega’s uit het buitenland, worden systematisch onderzocht en bieden, lang voor er sprake is van een concrete aankoopaanvraag, een goed zicht op de mogelijke kandidaten. Wanneer dus in een schriftelijk antwoord op een parlementaire vraag defensie laat weten ‘dat de markt matuur is’ (lees de ontwikkeling van de F-35 is ver genoeg gevorderd), dan is dat niet zomaar een verklaring in het ijle maar het resultaat van zorgvuldig (?) voorbereidend werk.

Het betekent ook dat men binnen een beperkte kring al heel vroeg de mogelijke kandidaten kan vergelijken en dus ook al kan kiezen. Zou het dan te ver gezocht zijn om te stellen dat de Luchtmacht koos voor het ‘beste’ vliegtuig? Zou dat, afgaande op de enorme beloften die Lockheed Martin de wereld instuurde, dan niet de F-35A zijn? Een vliegtuig van een nieuwe generatie, onzichtbaar voor de vijand en behoudens ‘enkele ontwikkelingsprobleempjes’, is dé toekomst gegarandeerd. Dat dit vliegtuig bedoeld is voor opdrachten die niet overeenstemmen met de meer bescheiden politieke doelstellingen is voor de Luchtmacht geen argument.

A U.S. Air Force pilot navigates an F 35A Lightning II 500

Lockheed Martin F-35 Lightning II

 Wanneer men dus formeel begint met de aankoopprocedure is het vanzelfsprekend dat deze kennis van de markt en welke oplossing het best past op basis van militair-technische criteria, een doorslaggevende rol speelt in het opstellen van de eisen die men aan de kandidaten zal stellen in het ‘lastenboek’.

Dat lastenboek is zo gespecialiseerd dat géén enkel buitenstaander kan oordelen over de gestelde eisen. Er zijn twee hoofdsoorten vereisten, de onontbeerlijke vereisten die moeten gehaald worden bij straffe van uitsluiting en de wenselijke vereisten waar een zeker gewicht wordt aan vastgekoppeld.

Stel nu eens dat de eis om nucleaire wapens te kunnen inzetten vermeld wordt als onontbeerlijk, dan blijft er maar één kandidaat over, de F-35A. Dat zou opvallen en dat zal men dus niet eisen, maar wel wensen. Voor de politici die dit dossier opvolgen is het dus belangrijk te weten hoeveel bonuspunten daar voor toegekend worden, want het is een cadeau voor het enige vliegtuig die dat mag/kan, de F-35A. Maar zo simpel is het niet want het kan ook zijn dat die wens verscholen zit in onderdelen die deze eis al of niet mogelijk maken. Om die te vinden moet men een specialist zijn die vertrouwd is met de specifieke eisen die gekoppeld zijn aan het inzetten van nucleaire wapens. En daarop kennen we het antwoord: dat is zelfs voor politici geheim, want het blijft Amerikaanse eigendom.

In het lastenboek zou ook kunnen staan dat de verkoper (in geval van de F-35A de Amerikaanse regering) verplichtend de broncode voor de IT-toepassingen moet ter beschikking stellen. Dan is de F-35A a priori uitgeschakeld. Ook dat zal dus geen onontbeerlijke eis zijn, maar wellicht een wenselijke vereiste. Opnieuw, ook daar zullen we nooit het fijne van weten, want super geheim. Terecht, denk maar eens aan de gevaren voor hacking van het volledige IT-systeem. Het zou dus kunnen wenselijk zijn maar welk gewicht kent men toe aan het wel ter beschikking stellen van de broncode?

Deze twee voorbeelden kan men gerust vermenigvuldigen met een veelvoud om uiteindelijk tot de situatie te komen dat het lastenboek eigenlijk voor een belangrijk deel geschreven werd met het oog op de keuze van de ‘juiste’ kandidaat. Vanuit een louter militair-technisch standpunt een volkomen rationele en verdedigbare werkmethode.

Twee andere factoren spelen dan nog mee om de uiteindelijke keuze te maken: de kostprijs en de economische compensaties. Wanneer we de officiële mededeling van de minister en kolonel Van Pee mogen als maatstaf nemen ligt het budget reeds vast, ongeacht welk vliegtuig men zal kiezen. Blijft nog één veranderlijke: de economische compensaties.

Pieter Bruegel II Combat de Carnaval et Careme IMG 1464 500

Het gevecht tussen Carnaval en Vasten
(met eerste afbeelding van een wafel (Belgische wafelijzerpolitiek))

 

Communautaire koehandel

Maar in België volstaat dat niet. Er wacht ook voor dit dossier nog een communautaire koehandel die wel eens een veel grotere rol zou kunnen spelen dan met ooit publiek zal durven toegeven, en waarvoor in de eerste plaats de defensieminister (bevoegd en) verantwoordelijk is.

Wanneer minister Vandeput absoluut een vliegbasis voor de opvolger wil in zijn provincie, en daardoor een basis moet sluiten in Wallonië want voor slechts 34 vliegtuigen zijn twee basissen van het goede te veel, zal hij daar een zware communautaire prijs moeten voor betalen. Het wordt dus opnieuw een ‘compromis à la belge’ wat op zich al gezichtsverlies betekent voor een minister die zich openlijk als Vlaams-nationalist bekent en zijn partij, N-VA, die hier opnieuw gedwongen wordt om zich te gedragen als een traditionele Belgische partij. Men zou zowaar voor N-VA durven hopen dat de financiële situatie van ons landje zo slecht is dat dit dossier noodgedwongen doorgeschoven wordt naar de volgende regering. Zelfs militair-technisch stelt dat géén onoverkomelijk probleem.

Maar bovenal zou het de politieke betrachting moeten zijn om komaf te maken met het communautair achterkamergedoe tot een grote hervorming van België resulteert in een duidelijke structuur met zo weinig mogelijk communautaire conflictdomeinen

Dwarsligger