Print

huurlingenDefensie lijdt onder de Belgische ziekte. Een blauwdruk voor de toekomst is een kans om beter te doen. Omdat Vlaanderen beter België kan veranderen dan omgekeerd.

 

Woord vooraf

Het ‘dossier toekomstvisie Defensie’ heeft onze ogen (opnieuw) geopend. Net zoals in andere federale departementen stellen we vast dat ook bij defensie de Belgische ziekte harder toeslaat dan vermoed. Ondanks regeringsdeelname van een partij die staat voor verandering, blijft deze ziekte voortwoekeren.

Waarom de Belgische ziekte door de traditionele media nauwelijks bestreden wordt werd pijnlijk duidelijk toen bleek dat de vorige minister van Financiën een geheim akkoord had gesloten met de grote mediaconcerns over een fiscaal gunstregime dat in tegenspraak is met de Europese regels. Alleen in een ziek land als België kan dat en is het zelfs geen beletsel om nadien als minister van Justitie te waken over de gelijkberechtiging.

Het bestrijden van deze ziekte was en blijft een van de hoofdredenen waarom Charta Vlaanderen vzw werd opgericht. Daarom willen wij – de kernredactie van De Bron – deze ziekte in al haar vormen blijvend aan de kaak te stellen.

Inleiding

Voor het defensiedossier betekent onze redactionele lijn dat de regeringsbeslissing over het Toekomstplan dat defensieminister Vandeput na de paasvakantie zal bekendmaken, voor ons geen beletsel vormt om hierover te blijven nadenken en publiceren; alsof nog niets beslist is.

Een van de kenmerken van de Belgische ziekte is dat partijkopstukken in achterkamertjes zonder enige parlementaire inspraak beslissen over grote dossiers. En na de regeringsbeslissing zorgt de particratie ervoor dat deze beslissing door het parlement onverkort wordt goedgekeurd. Toegeven aan deze ‘Politiek van Voldongen Feiten’ en hierover niet meer publiceren wegens nutteloos, zou betekenen dat De Bron – zoals de traditionele media al te gemakkelijk doen en we weten nu ook waarom - gedoogsteun verleent aan een werkwijze die haaks staat op wat een democratische besluitvorming kan en moet zijn.

Er kunnen hoogst uitzonderlijk zwaarwichtige redenen zijn om bepaalde beslissingen niet vooraf aan te kondigen, zoals bij voorbeeld een devaluatie, maar de toekomst van defensie vorm geven hoort daar in geen enkel geval bij.

Recent stelt Dirk Draulans (in Knack online) naar aanleiding van een interview met een Russische dissidentenzoon de vraag of democratie wel zo geschikt is om grote problemen kordaat aan te pakken. De suggestie dat democratie niet voldoet is echter al te gemakkelijk. Kordaat bestuur kan ook in een parlementaire democratie, op voorwaarde dat de beleidsverantwoordelijken inspraak toelaten vooraleer ze beslissen in plaats van eerst te beslissen en nadien dure communicatiespecialisten in te schakelen om een draagvlak te forceren. Deze omgekeerde handelswijze werkt terecht als een rode lap op een stier en maakt zo het NIMBY syndroom nog hardnekkiger. Dat is nepdemocratie en dan is kordaat bestuur een stap terug in de tijd: toen van het gewone volk niet verwacht werd dat ze ook konden en mochten nadenken.

Voortaan willen we ons richten tot de volksvertegenwoordigers en hen vragen om de grondwet te respecteren en meer bepaald Art. 42 De leden van beide Kamers vertegenwoordigen de Natie en niet enkel degenen die hen hebben verkozen. Van partijbesturen die de kieslijsten opstellen en op die manier hún vertegenwoordigers verplichten tot kadaverdiscipline, is in de grondwet helemaal geen sprake. Met andere woorden, de particratie is een van de belangrijkste oorzaken van de Belgische ziekte.

Bepalen hoe defensie er moet uitzien in de toekomst kan en mag niet onderhevig zijn aan partijpolitieke spelletjes, zoals tijdens de laatste regeringsonderhandelingen wel het geval was. Het zou aanbeveling verdienen mochten de voorzitters van de Commissies Defensie en Buitenlandse Zaken hun bevoegdheid en verantwoordelijkheid in volle onafhankelijkheid kunnen opnemen.

Een maatschappelijk draagvlak voor Defensie 

Wat de bevolking mag vragen van de beleidsverantwoordelijken is dat het toekomstplan zorgt voor een efficiënt leger, of helemaal geen leger wanneer daarvoor een maatschappelijk draagvlak zou bestaan. Vooral voor Vlaanderen dat de grootste financier is van Defensie, is het belangrijk dat de krijgsmacht geen verloren investering is. In een land waar meer dan de helft van de bevolking een inkomen heeft dat geheel of gedeeltelijk betaald wordt door de staat, kan het niet dat de belangrijkste politieke bestaansreden van de krijgsmacht de tewerkstelling is. Even fout is het om investeringen te doen omwille van economische belangen, ‘nice to have’, zonder dat ze prioritair zijn voor het leger.

Hoe kan men verwachten dat er bij de bevolking een maatschappelijk draagvlak is, wanneer de regering en het parlement zich niet eens houden aan grondwettelijke principes en de besluitvorming helemaal niet democratisch verloopt?

Wanneer politici belang hechten aan een maatschappelijk gedragen defensie dan zijn er alvast een paar mogelijkheden maar ook voorwaarden:

Betrokkenheid van de bevolking: Dienstplicht

De band Leger - Natie was vroeger veel intenser door de dienstplicht. Na de val van de Berlijnse muur koos België in 1994 voor de afschaffing (opschorting in ‘Wetstratees’) van de dienstplicht, het zogenaamde ‘vredesdividend’. Dit besluit kwam er op initiatief van minister van Defensie Leo Delcroix (CVP) en kreeg de steun van Landmacht chef generaal Segers die daarvoor verwees naar de complexere techniek van de bewapening. Hoewel iedereen dacht dat deze maatregel zou zorgen voor een eclatant electoraal succes, bleek dat niet het geval te zijn. De CVP behaalde in 1991 nog 39 zetels (op 212) in het federaal parlement. In 1995 waren er 29 CVP (op 150) verkozenen of een status quo.

Sindsdien werd nauwelijks nog over de dienstplicht gesproken en wanneer men vandaag ook nog maar het woord ‘dienstplicht’ in de mond neemt, beginnen alle lichtjes rood op te lichten. Wie durft nu nog offers vragen van de bevolking? Je moet wel goed gek zijn, of toch niet?

Geen dienstplichtigen, liever huurlingen?

De tijd dat oorlog een zaak was van alleen maar militairen is al lang verleden tijd. Maar toen de VS een oorlog startten tegen Saddam Hoessein en hiervoor niet de grote coalitie bijeenkregen (de meeste EU landen weigerden mee te doen) bleek al gauw dat er onvoldoende militairen waren en werden zowel Amerikaanse als Engelse gewapende ‘huurlingen’ ingezet. Privébedrijven die bewakingsopdrachten uitvoerden en daarbij meer ‘vrijheid van handelen’ kregen dan reguliere strijdkrachten.

De verwevenheid tussen burgers en militairen in crisisoperaties die door de VN worden opgezet is nog veel groter. Daarbij komen de talrijke humanitaire organisaties die elk in hun domein een rol spelen in het verloop van de crisis. Maar heeft iemand al eens de kostprijs van deze oplossingen berekend? Uit eigen ervaringen in Somalië kan ik alvast niet besluiten dat het efficiënt is en oud-militairen die als burger in dienst waren van de VN-organisatie World Food Program (WFP), hadden hun eigen, soms hilarische, verhalen. Wat ik wel ervoer is dat voedselhulp soms dodelijk kan zijn.

Of het goed is om defensie gedeeltelijk te privatiseren, vraagt op zijn minst om een grondige studie. Zijn we niet aan het afglijden naar een situatie waarbij de band tussen leger en natie volledig verdwijnt en vervangen wordt door een moderne versie van een huurlingenleger? Dan is een andere vraag heel pertinent, namelijk of er nog wel hooggestemde ‘waarden’ bestaan die het verdedigen waard zijn?

Onbekend is onbemind

Naast de dienstplicht, was er een andere band tussen de bevolking en het leger: de aanwezigheid van militairen in het straatbeeld. Vandaag is dat zelfs voor een gewezen minister-president van Vlaanderen een ongewenst beeld. Beseft men wel hoezeer daarmee het burgerschap tekort wordt gedaan?

Ooit waren er kazernes in alle provincies en konden burgers regelmatig militairen in het straatbeeld zien. Beter nog, belangstellenden konden militair worden zonder te verhuizen en zonder dat hun vrouw haar werk diende op te geven. Of dat het aanleiding gaf tot een echtscheiding. En helemaal positief werd het wanneer provinciegouverneurs en burgemeesters beroep konden doen op de capaciteiten waarover defensie beschikte. Helaas werd die mogelijkheid gerecupereerd door de ‘nationale’ politiek onder defensieminister André Flahaut die persoonlijk zijn goedkeuring diende te geven vooraleer er ook maar één militair iets mocht doen ten voordele van burgerorganisaties. En hij bepaalde wie en hoeveel er diende betaald te worden.

De beslissing door defensie om de gevechtseenheden te concentreren in Limburg en de staven in Vlaams Brabant was met het oog op een maatschappelijke en geografische verankering, kortzichtig. Het is precies daardoor dat Alexander De Croo (Open VLD) tijdens de laatste regeringsonderhandelingen gemakkelijk kon eisen dat defensie - dat al op zijn tandvlees zat - nog meer moest besparen. Van de CD&V-voorzitter en burgemeester van Leopoldsburg hoefde N-VA geen tegenkanting te vrezen!

Herwaardering van de status van militair

Uiteraard speelt bij de onderwaardering van het militair beroep het gebrek aan een nationaal gevoel. Maar waarom wordt de militair ook als een tweederangsburger behandeld door politici? Waarom bij voorbeeld worden zijn/haar politieke rechten beknot?

In mijn aanbevelingen aan de minister verwijs ik naar het bestaand gebrek aan waardering voor het militair beroep. Het verschil heb ik zelf ervaren tijdens mijn verblijven in het buitenland, Canada, Groot- Brittannië, Oostenrijk en de VS. Een militair is in die landen gegeerd door de privésector en velen kunnen na een vroegtijdig vertrek bij defensie gemakkelijk werk vinden in een bedrijf. In België is zoiets veel moeilijker.

Het kan nog erger, voor sommigen is militair zijn op zich al een ideologisch afkeurbare daad van agressie. En met mevrouw Mieke Van Hecke als nieuwe voorzitter van het Vlaams Vredesinstituut hebben ze ongetwijfeld een dame die niet op haar mond gevallen is en zo niet respect afdwingt, toch wel enige schrik inboezemt.

Erger is het wanneer de dienstplicht ervaren wordt als een straf. Een van de wijze pennen die de minister raad gaf, vond mijn voorstel om ambtenaren ook beschikbaar te stellen voor militaire opdrachten maar niets: “Het herinvoeren van een soort dienstplicht voor ambtenaren lijkt me vooral duur te zijn, zonder veel voordelen aan te brengen, en is discriminerend. Het zal de aantrekkelijkheid van overheidsfuncties voor goed-opgeleiden enkel maar schaden.

Toen ik dat las realiseerde ik mij hoe diep het militair beroep wel gezakt is. Ten dienste staan van het land schaadt de aantrekkelijkheid van het beroep van ‘civil servant’? Als dat geen duidelijk teken is van minderwaardigheid van het beroep, dan weet ik het ook niet meer. Militairen zullen dat ongetwijfeld als discriminerend ervaren, maar ik vrees dat een groot deel van de goegemeente er net zo over denkt als deze defensiespecialist. Mag ik dan mijn eerder al gestelde vraag nog eens herhalen: Waarom zou een militair zijn leven riskeren voor een land waar hij toch beschouwd wordt als een tweederangsburger?

‘Civil servants’, een eretitel

In mijn ‘raadgevingen’ aan de minister wijs ik op de te grote uitgaven voor het personeel (meer dan 70 % van het totale budget) en de noodzaak om jaarlijks 500 miljoen euro te kunnen investeren in plaats van uit te geven aan een teveel aan niet-operationeel personeel. Maar ook een stabiele instroom van de nodige jonge soldaten van alle rang is belangrijk om de krijgsmacht op een structurele manier operationeel te houden en om de personeelsnoden voor buitenlandse operaties op te vangen.

 Geen legerdienst wel een ‘civil servant’ contract

Laten we even veronderstellen dat politici echt een efficiënt leger willen en een einde willen maken aan de achteruitstelling van militairen. Welk argument staat er dan nog in de weg om ambtenaren aan te werven op basis van capaciteiten en die in functie van de efficiëntie en noden te verdelen over de verschillende federale departementen, inclusief defensie? Hierbij is geen sprake van een legerdienst maar van een contractuele verplichting: contractuele flexibiliteit in ruil voor werkzekerheid. Net zoals een privéwerkgever kan en moet elke overheid contracten aanbieden die de efficiëntie verhogen.

Een debat over hoe dit best concreet vertaald wordt is zeker op zijn plaats, maar wie erkent dat het beroep van militair evenwaardig is aan andere overheidsfuncties, zal ongetwijfeld tot een goede regeling kunnen komen. Men zou bij voorbeeld jongeren tijdens de eerste drie jaar als ‘civil servant’ op basis van hun capaciteiten een (deeltijdse) job kunnen aanbieden in een eenheid waar ze een specifieke opleiding krijgen en beschikbaar zijn voor operationele taken. Vermits het gaat om kleine getallen zal dat nauwelijks een meerlast veroorzaken. Integendeel, het geeft de ‘Bataljonscommandant’ meer middelen om de opdrachten te spreiden over meer personeel.

Is dat een nadeel voor de andere departementen? Niet noodzakelijk wanneer we het globaal plaatje bekijken, waarbij ook elk jaar ouder ervaren personeel van defensie overgeheveld wordt naar andere overheidsdiensten.

Zullen er daardoor minder kandidaten zijn voor een job bij de federale administraties? Het enige zinnige antwoord op die vraag is dat we het niet weten. Wat we wel weten is dat het afschaffen van de legerdienst niet resulteerde in een gigantisch succes voor CD&V. Jongeren die echt ‘civil servant’ willen worden zullen zich daardoor niet laten afschrikken. Vergeten we ook niet dat in het voorgestelde systeem er ook jaarlijks ouder militairen beschikbaar komen voor ander departementen. Het is géén eenrichtingsverkeer ten voordele van defensie!

Korte opleiding voor operationele reserve

Maar het kan ook anders: door contractueel een beperkte militaire opleiding te voorzien voor alle jonge ambtenaren en ze daarna als operationele reserve in geval van noodzaak op te roepen voor een korte intensieve training gevolgd door deelname aan een buitenlandse operatie.

De bedenking van de ‘wijze pen’ dat deze vorm van (vergoede) dienstplicht duur is en zonder veel voordelen, kan gemakkelijk onderzocht worden. Het is inderdaad duur wanneer met denkt aan een legerdienst van 20.000 of meer dienstplichtigen. Maar dat is het helemaal niet en het is echt niet de bedoeling om de kazerne te Turnhout nieuw leven in te blazen! Ook hier zal de personeelslast niet groot zijn omdat de eenheden een groot deel van deze opdracht kunnen organiseren binnen hun eenheid met personeel dat minder operationeel is. In elk geval, ook daarover kan een grondige studie resulteren in werkbare oplossingen. En opnieuw, het tijdsverlies wordt gecompenseerd door de overgang van oudere militairen naar andere departementen.

Voor beide oplossingen dient ook aangestipt dat de flexibiliteit niet alleen geldt voor defensie maar voor alle departementen. Waarbij het niet denkbeeldig is dat er heel wat ambtenaren wel eens graag zouden willen verwisselen van job of werkplaats, zonder verlies van de statutaire werkzekerheid.

Tenslotte

Het is duidelijk dat een grondige reorganisatie van defensie niet beperkt kan worden tot oppervlakkige maatregelen of door méér geld te voorzien zonder te sleutelen aan de efficiëntie. Is het niet te hoog gegrepen voor een regering die nauwelijks zes maand regeert, om nu reeds een blauwdruk voor de komende dertig jaar (en dat is de minimum termijn gezien de geplande investeringen) vast te leggen? Waarom die haast?

Tenzij alle voorgaande ministers van defensie (en de defensiestaf) dom waren, en dat waren ze niet, is het evident dat het ombuigen van een ongezonde situatie – de krijgsmacht is al decennialang van de ene in de ander reorganisatie gesukkeld – niet lukte omdat er binnen defensie geen mirakeloplossingen mogelijk zijn. Daarom de noodzaak om het breder plaatje te onderzoeken en om alle federale administraties te betrekken in deze reorganisatie. Zoiets vraagt meer tijd dan een schamele zes maand voor een regering die al niet bulkt van bestuurservaring. Toch blijft kordaat bestuur wel mogelijk en is een N-VA minister voor defensie misschien wel de grote kans om eindelijk meer te doen dan de slogan ‘kleiner maar sterker’. Door duidelijke keuzes na een grondige studie en een maatschappelijk debat dat in een parlementaire democratie toekomt aan de volksvertegenwoordigers en niet in besloten achterkamertjes. Vanuit een Vlaamse invalshoek gelezen:

Omdat Vlaanderen beter België kan veranderen dan omgekeerd

 

 Dossier

Visie Defensie