Print

Jens FranssenSteven Vandeput, Minister van Defensie, vroeg een team van ‘wijze pennen’ om hun visie op de toekomst van Defensie. In deel 2 volgt een analyse van onze nationale belangen: Waarom een leger?

 

Dossier toekomstvisie Defensie

Steven Vandeput, Minister van Defensie, vroeg een team van ‘wijze pennen’ om hun visie op de toekomst van Defensie. In deel 2 volgt een analyse van onze nationale belangen: Waarom een leger?

Inleiding

In het eerste deel keken we naar de twee internationale veiligheidskaders waar we deel van uitmaken, EU en NAVO, en in welke mate beide kaders gelijklopende belangen hebben of niet hebben. In deel 2 willen we het hebben over het bestaansrecht van defensie: de verdediging van nationale belangen.

Minister Vandeput is als N-VA politicus ongetwijfeld minder gebonden dan de vorige defensieministers die altijd achterom dienden te kijken en schatplichtig zijn aan ‘hun’ vakbonden. Maar anderzijds zullen er weinig politici van de traditionele partijen hem een succes gunnen. Elk klein detail zal uitvergroot worden door de oppositie ‘binnen en buiten de regering’ om het groter verhaal onderuit te halen. De kans is dan ook reëel dat defensie het slachtoffer wordt van deze partijpolitieke profilering. Precies daarom schreef ik in mijn raadgevingen aan de minister: “Men kan blijven herhalen dat België geen geld genoeg heeft om een goed uitgerust en efficiënte krijgsmacht te betalen. Maar is er niemand die de vraag stelt of België wel een slagkrachtig leger verdient?” Niet het pacifisme, noch het militarisme zullen bepalen hoe ons leger eruit ziet binnen een tiental jaren, maar de ideologische oogkleppen van de politieke partijen.

In die omstandigheden kan men slechts één wijze raad geven aan de minister:

Sta boven de partijpolitiek en neem rustig de tijd om een gedurfde en concrete visie te ontwikkelen. Laat dan de partijen in volle openheid maar eens kleur bekennen.

 

Deel 2: De verdediging van nationale belangen

De basis voor een toekomstvisie op defensie zijn onze nationale belangen.

Verschillende wijze pennen zijn voorstander van een (beperkte) autonomie voor onze defensie. En inderdaad, in de politiek (diplomatie en defensie) weegt het nationaal belang altijd het zwaarst. Daarnaast stellen we echter vast dat internationale organisaties in toenemende mate onze belangen behartigen en het daarom aangewezen is om prominent aanwezig te zijn op deze fora. Om, al is het maar op een bescheiden manier, invloed te hebben.

Onze belangen verdedigen, begint bij de interne veiligheid die vooral over personen en waarden gaat en minder dan vroeger over grondgebied. De externe belangen kan men als volgt samenvatten: onze economische belangen, onze invloed in internationale organisaties die mee over onze belangen beslissen en ten slotte ons belang bij een vreedzame wereld die niet stopt bij de nationale grenzen en zelfs niet bij de grenzen van de Europese Unie.

Onze nationale veiligheid

De interne veiligheid is al lang geen kwestie meer van een ‘verdediging van het grondgebied’ maar wel van ‘de verdediging van waarden en mensen’. Daarnaast is er de maatschappelijke rol van defensie in het kader van de hulp bij milieucatastrofes. In feite is elke actie van defensie ten voordele van de maatschappij nuttig, voor zover ze geen concurrentie betekent voor bedrijven EN daarvoor geen supplementaire kosten moeten gemaakt worden. Dat is trouwens de geldende norm vandaag.

Hoe het niet mag: Militaire helikopters die ingezet worden voor reddingsoperaties op zee, zijn flagrant in tegenspraak met deze norm. Ze kosten defensie veel geld en het zijn concurrenten voor firma’s die deze taken eveneens kunnen uitvoeren.

Terzijde, maar niet onbelangrijk: Sommige wijze pennen vinden dat we nog meer nieuwe helikopters (NH90) moeten kopen. Dat is op zijn minst een zeer omstreden voorstel. Lessen uit het verleden tonen zonder discussie aan dat de kwetsbaarheid van helikopters in gevaarlijke situaties zeer groot is. Wie dus meer helikopters wil inzetten zal onvermijdelijk nog meer begeleidende en robuustere steun (gevechtsvliegtuigen) moeten inzetten of stand by houden. Ik vermoed dat hier vooral economische beweegredenen spelen en dat zou nefast zijn, wil men dat defensie betaalbaar blijft.

De veiligheid van het nationaal luchtruim is een klassieke opdracht die echter op twee manieren kan geïnterpreteerd worden. Vooreerst is er de ‘politieopdracht’ om in vredestijd binnendringende vliegtuigen te onderscheppen en in het uiterste geval te vernietigen. Sinds ‘nine eleven’ is dat geen ondenkbare opdracht meer. In oorlogstijd wordt deze opdracht veel belangrijker en wordt onze veiligheid niet boven maar zo ver mogelijk van het eigen luchtruim verzekerd. Alleen is het evident dat wij deze oorlogsopdracht slechts kunnen uitvoeren in een groter kader, waarbij niet enkele de eigen middelen maar deze van alle bondgenoten inzetbaar zijn.

Vermits voor de andere nationale belangen reeds diverse capaciteiten nodig zijn, hoeven voor de interne veiligheidsopdrachten geen exclusieve middelen ingezet te worden, behalve voor de cyberwar. Maar daarvoor zijn geen exclusieve defensiecapaciteiten nodig, integendeel. Gezien de scheidslijn tussen buitenlandse en binnenlandse bedreiging totaal irrelevant is in een cyberwar, kan men de vraag stellen of er voor deze capaciteit geen bijkomende synergie-effecten kunnen ontwikkeld worden? Of de bijdragen van defensie en de Staatsveiligheid wel in verhouding staat tot het nut dat ze eruit halen.

Een bijzondere veiligheidsopdracht bestaat erin Belgische staatsburgers die in het buitenland bedreigd worden te repatriëren. Hiervoor wordt beroep gedaan op Para-Commando-eenheden, waarvan er één permanent op zeer korte termijn inzetbaar moet zijn. Daarvoor zijn er niet enkel specifieke procedures voorzien, maar deze opdracht zorgt ook voor bijkomende personeels- (vergoedingen) en logistieke kosten.

Het is daarenboven geen binnenlandse opdracht en verplicht ons ook tot politieke overeenkomsten met andere landen die evenmin vrijblijvend, noch gratis zijn. Om installaties in andere landen in de omgeving van het crisisgebied te mogen gebruiken bakken we daarom zoete broodjes met deze regimes en dat kost ook geld. Zo bestond minister Flahaut het om voor Benin een militair attaché aan te duiden en het land militair materieel cadeau te doen. De Genie heeft daar gedurende een langere periode humanitaire hulp (wegenbouw) geboden en de Beninse president kon een Belgische militaire helikopter gebruiken voor zijn verkiezingscampagne.

Tenslotte is de situatie in de Republiek Congo, het land waarvoor deze opdracht feitelijk bestaat, sterk geëvolueerd. Er verblijven beduidend minder Belgen (minder dan in Zuid Afrika) en dus lijkt deze opdracht niet langer essentieel. Tenzij men onder het mom van deze beveiligingsopdracht eigenlijk een verdoken manier ziet om er (onze?) private economische belangen veilig te stellen.

Eveneens in het buitenland, is er nood aan de verdediging van ‘Belgische grondgebied’, ambassades maar ook de koopvaardijvloot die onder Belgische vlag vaart bij voorbeeld. Over deze laatste opdracht volgt meer in de rubriek ‘maritieme belangen’.

Onze internationale belangen

Jens Franssen, een van de wijze pennen, schreef onder meer het volgende: “De Verenigde Staten plooit zich naar Oost-Azië en verwacht dat Europa hoe langer hoe meer instaat voor het beveiligen en stabiliseren van zijn periferie. Concreet betekent dat dat het Midden-Oosten, de schurende grens met Rusland en Noord-Afrika geen prioriteit meer zijn voor Amerika. Op relatief korte termijn zal Europa, en dus ook ons land, zijn grenzen zelf moeten stabiliseren. Of we dat nu leuk vinden of niet, de NAVO boet operationeel aan belang in, onder meer omdat voor de VS de organisatie veel te weinig meerwaarde biedt. Coalitions of the willing, of zelfs coalities ad hoc, lijken de toekomst.”

Kan een klein land dat zichzelf goed inschat internationale belangen hebben die de Europese omgeving overstijgen? Zou België ooit in staat zijn om een wezenlijke bijdrage te leveren in een ‘high intentsity’ oorlog tussen de grootmachten, de VS, China en Rusland? Wanneer we daar nauwelijks iets kunnen betekenen zal de ‘return on investment’ altijd veel kleiner zijn dan de investeringen. Wat niet belet dat we in bepaalde domeinen zeer welkome capaciteiten kunnen leveren.

België kan wel heel wat ervaring delen met internationale partners in ‘low intensity conflicts’. De middelen die daarvoor nodig zijn, omvatten zowel grondtroepen als luchtsteun (vooral ‘close air support’, CAS) en luchttransportmiddelen. Ook hier is samenwerking met andere landen mogelijk en aangewezen.

Over die luchttransportmiddelen zou een toekomstvisie op zijn minst duidelijk moeten maken wat men verwacht van deze capaciteit. Momenteel zijn er namelijk heel wat middelen die niet voor militaire opdrachten worden ingezet. Op zich is dat geen probleem, maar moet defensie daar ook voor betalen? Kan dat niet buiten het defensiebudget? Een ander vraag is of de nieuwe A400M wel in staat is om zoals de C130 in alle omstandigheden te kunnen opereren. In plaats van meer te kopen zoals Herman Matthijs aanbeveelt, zou het wellicht beter zijn om er minder te kopen en een deel van de C130 verder te gebruiken, desnoods mits updates.

Regionale conflicten

De samenwerking van de krijgsmacht in ‘Coalitions of the willing’, (voor het herstellen en bevorderen van de vrede) zoals Jens Franssen schrijft, lijkt mij inderdaad aan belang te winnen. Daarenboven zal een Europa dat gedwongen wordt om zelf meer inspanningen te doen wanneer de VS-steun afkalft, er alle belang bij hebben dat de lidstaten hun deel van de ‘last’ op zich nemen. Dat is ongetwijfeld een argument om een zo autonoom mogelijke defensie te organiseren. De capaciteiten die we voor deze mogelijke opdrachten nodig hebben worden behandeld in een van de volgende analyses.

De maritieme belangen van België

Over de maritieme belangen van België schrijft Jens Franssen: “Net als Nederland is de Belgische economie erg afhankelijk van het maritieme. Door de aanwezigheid van grote havens en de relatieve erg sterke maritieme economie (bagger- en transportvloten) is veiligheid op zee in en rond Europa economisch strategisch belangrijk. Een goed uitgebouwde Marine is in die zin voor Nederland én België geen luxe, maar een noodzaak.”

Wie deze zienswijze volgt en rekening houdt met de efficiëntie van het geheel, kan tot volgende concreet voorstel komen:

België heeft nood aan defensiemiddelen om zijn territoriale wateren te beveiligen, om de vrije toegang tot zijn havens te garanderenen om de Belgische vloot te beschermen tegen bedreigingen in onstabiele regio’s.

Rekening houdend met de beschikbare NAVO capaciteit (fregatten voor het open houden van de zeevaartroutes) zijn er voor deze opdrachten een vloot snelle patrouilleschepen en een vloot voor de mijnenbestrijding nodig. Dat dergelijke snelle patrouilleschepen perfect geschikt zijn (en veel goedkoper dan fregatten) om overal onze burgerlijke vloot te beschermen tegen piraterij is alvast een pluspunt. Met dergelijke betaalbare capaciteit zouden we zelfs een gegeerde bruid kunnen zijn voor andere Europese landen.

Ten slotte,

Voeg bij elk van de geciteerde capaciteiten een flinke scheut realisme toe en dan kan een aanbeveling voor de minister de volgende zijn:

Kies voor ‘age quod agis’, doe goed wat u doet. Welomschreven capaciteiten die een beperkte waaier aan opdrachten mogelijk maken en eerder complementair dan supplementair zijn binnen de EU en de NAVO.

 

 Dossier

Visie Defensie