Waar we vroeger slagvelden met duidelijke frontlinies hadden, lopen de frontlinies van conflict dwars door onze samenlevingen heen en niet in het minst door informatiebeïnvloeding en niet alleen door "de" vijand.
Oorlogen zijn zo oud als de mensheid, maar de manier waaróp we oorlog voeren is door de eeuwen heen ingrijpend veranderd. Van massale veldslagen met lineaire legers tot schimmige cyberaanvallen en propaganda-offensieven – elke periode kent zijn eigen stijl van conflict. Militair theoretici spreken in dit verband over “generaties van oorlogvoering”. Dit concept, mede gepopulariseerd door denkers als William S. Lind (1989), verdeelt de evolutie van oorlog in opeenvolgende generaties, elk met kenmerkende tactieken, strategieën en technologieën (Generations of warfare - Wikipedia). In deze blog verkennen we die generaties en de bijbehorende conflictvormen. We bespreken de klassieke vormen – zoals uitputtingsoorlog (attrition) en manoeuvreoorlog – en gaan over naar modernere vormen zoals morele en hybride oorlogvoering. Daarbij kijken we niet alleen naar vijandelijke actoren, maar ook naar hoe staten zelf (inclusief democratische) soms misleiding en informatie-instrumenten inzetten richting de eigen bevolking. Aan de hand van hedendaagse casussen (Rusland, China, EU, COVID-beleid) illustreren we hoe dun de scheidslijn tussen oorlog en maatschappij kan worden.
Vier generaties van oorlogsvoering in vogelvlucht
In de militaire historiografie onderscheidt men vaak vier (soms vijf) “generaties” van oorlog, zoals Lind en collega’s dit beschreven (Generations of warfare - Wikipedia). Kort samengevat zien die generaties er als volgt uit:
- Eerste generatie (lineaire oorlog): oorlogvoering in de periode tot ca. midden 19e eeuw, gekenmerkt door massaformaties van soldaten die in lijnen of colonnes vechten. Denk aan de Napoleontische oorlogen met regimenten die frontaal tegenover elkaar staan. Discipline en mankracht domineren, vuurwapens zijn beperkt van reikwijdte en nauwkeurigheid. Het slagveld is overzichtelijk en fysiek afgebakend.
- Tweede generatie (industriële attritie-oorlog): met de komst van modernere wapens (geweren met trekken, machinegeweren, artillerie) verschuift de focus naar vuurkracht en materieel overwicht. Deze generatie culmineert in de Eerste Wereldoorlog: loopgraven, artilleriebombardementen en het uitputten (attrition) van de vijand door langzaam maar zeker meer verliezen toe te brengen dan men zelf lijdt. Er is nog steeds sprake van lineaire frontlinies, maar de slagkracht is enorm toegenomen.
- Derde generatie (manoeuvre-oorlog): in de 20e eeuw (denk aan de Blitzkrieg van 1940) ontstaat een meer fluïde vorm van oorlogvoering. In plaats van frontaal op elkaar in te beuken, proberen legers de tegenstander te omzeilen en te verlammen door snelheid, verrassing en slimme beweging. Tanks, gemotoriseerde infanterie en luchtmacht worden ingezet om diep in vijandelijk gebied door te dringen, de commandostructuur te ontwrichten en de vijand van achteren te laten instorten. Het draait om beweeglijkheid en psychologie: de vijand zó verrassen dat hij gedesoriënteerd raakt (John Boyd zou zeggen: zijn OODA-loop verstoren)(Zie ook: Het OODA-model: van Koreaanse gevechtspiloot tot strategie in crisistijd).
- Vierde generatie (niet-conventionele / morele oorlog): eind 20e, begin 21e eeuw verschuift oorlog steeds meer naar decentrale en asymmetrische vormen. Staatlegers verliezen hun monopolie; guerrillagroepen, terroristen en andere niet-statelijke actoren betreden het strijdtoneel. De scheidingslijn tussen combattant en burger vervaagt. Conflict wordt “idee-gedreven” en speelt zich af op politiek en moreel niveau: het gaat om het winnen van harten en geesten, het breken van de vijandelijke wil om te vechten, eerder dan het winnen van terrein ((PDF) Complex Adaptive Systems Thinking (CAS*T) approach to IT investments). Voorbeelden: Vietnamoorlog voor de VS, of moderner Al-Qaida, ISIS, Taliban – die weten te winnen of volharden niet door militaire overmacht, maar doordat ze de politieke wil van hun tegenstanders ondermijnen en langdurig volhouden.
Sommige experts introduceren inmiddels ook een vijfde generatie (5GW), meestal omschreven als volledig informatie-gedreven oorlogvoering. Deze zou zich afspelen in cyberspace en de cognitieve ruimte, via niet-kinetische middelen zoals hacking, misleiding, beïnvloeding van publieke opinie en high-tech autonome systemen (Generations of warfare - Wikipedia). In 5GW wordt er mogelijk nauwelijks nog direct fysiek gevochten; het draait om het manipuleren van perceptie en breaking society from within. We komen hierop terug in de sectie over hybride oorlogsvoering.
Belangrijk is te beseffen dat deze “generaties” niet strikt gescheiden in de tijd zijn. Ze overlappen en combineren in de praktijk. Een modern conflict kan elementen van alle generaties bevatten. Het Westen streeft idealiter naar manoeuvre-oorlog (3e gen), maar belandt bijvoorbeeld in stedelijke gevechten (terug naar attritie, 2e gen) of moet omgaan met opstanden (4e gen) (Maneuver Warfare: “Reports of My Death Have Been Greatly Exaggerated” - Modern War Institute). Generaties zijn dus analytische concepten om verschillende benaderingen te duiden.
In Complex Adaptive Systems Thinking (CAS*T) approach to IT investments wordt eveneens aandacht besteed aan deze evolutie. Zo wordt gesteld dat klassieke platform-centric warfare (gericht op afzonderlijke wapensystemen en vuurkracht) plaatsmaakt voor network-centric warfare, waarbij informatie en netwerken centraal staan en snelle besluitvorming (denk aan OODA - Het OODA-model: van Koreaanse gevechtspiloot tot strategie in crisistijd).) de effectiviteit bepaalt. Dat is in wezen de verschuiving van 2e naar 3e/4e generatie denken: weg van louter materieel, op naar snelheid, verbinding en informatievoorsprong.
Laten we nu de kernideeën van vier conflictbenaderingen nader bekijken: attritie, manoeuvre, moraal en instorting (collaps). Deze termen zien we in de literatuur terug als de belangrijkste manieren om een vijand te verslaan – of zelf verslagen te worden.
Attritie: uitputting en vernietiging als strategie
Attritie-oorlog (uitputtingsoorlog) is de oudste en meest brute vorm van conflictvoering. Het principe is eenvoudig: breng de vijand zoveel mogelijk materiële schade en verliezen toe, tot zijn vechtcapaciteit of wil breekt. In attritie gaat men uit van lineaire confrontatie: front tegen front, langzaam terrein winnen ten koste van enorme hoeveelheden manschappen, munitie en materieel. Clausewitz beschreef deze benadering als het streven om de vijand “krijgsmacht te vernietigen” in een beslissende veldslag. De Eerste Wereldoorlog is hét schoolvoorbeeld: beide zijden probeerden elkaar te breken door een uitputtingsslag, resulterend in miljoenen slachtoffers voor vaak minimale terreinwinst.
Attritie is een fysieke strategie – succes wordt afgemeten in aantallen tanks uitgeschakeld, steden gebombardeerd, soldaten gesneuveld. Het moreel of de finesse van manoeuvres komen op de tweede plaats. In wezen is het een wedstrijd van industriële en demografische uithoudingsvermogen: wie heeft de meeste middelen om de lange adem vol te houden?
Toch is pure attritie zelden een winnende strategie als de tegenstander ook bereid is tot het uiterste te gaan. Een goede tactische implementatie van een slechte strategie is zoals het correct uitvoeren van een slechte zaak, waarschuwde Eliot Cohen treffend. Enkel inzetten op vernietiging kan betekenen dat men het verkeerde doel nastreeft – bijvoorbeeld een stad platbombarderen (goede tactische uitvoering) terwijl het strategisch weinig oplevert (slechte strategie). Bovendien kan een focus op attritie leiden tot pyrrusoverwinningen: men “wint” wel terrein maar tegen zo’n hoge prijs dat de overwinning hol is (zoals sommige zeggen van de geallieerde overwinning in WWI – gewonnen, maar ten koste van een verloren generatie jongeren).
Historisch werd attritie vaak toegepast door legers die een numeriek of materieel overwicht hadden. Bijvoorbeeld de Sovjet-Unie in de Tweede Wereldoorlog die de Duitse Wehrmacht uitputte door enorme verliezen te absorberen terwijl de Duitsers geen reserves meer hadden. Of de oorlog tussen Iran en Irak in de jaren ’80, waarin in massale frontale aanvallen honderdduizenden stierven zonder beslissende doorbraak – een tragisch voorbeeld van uitputtingsstrategie in modernere tijd.
In de huidige tijd zien we echo’s van attritie in bijvoorbeeld de oorlog in Oekraïne (2022-heden), waar met name in fases rond steden als Bachmoet langdurige loopgravingsgevechten en artillerieduels plaatsvinden. Beide kanten proberen de ander materieel en mentaal uit te putten. Toch is er een belangrijk verschil: de aanwezigheid van moderne precisiewapens, drones en realtime-informatie (satellieten, drones) maakt dat pure attritie vaak niet meer volstaat. Dit leidt ons naar de manoeuvrestijl, die juist ontstond als antwoord op de bloedige patstellingen van attritie.
Manoeuvre: de indirecte benadering en snelle ontwrichting
Manoeuvre-oorlogvoering is de kunst van het indirect winnen. In plaats van de vijand frontaal op te rollen, probeer je hem te omzeilen, misleiden en ontregelen. Het credo is: beweeg sneller dan de tegenstander kan reageren, en val hem aan waar hij zwak is, niet waar hij sterk is. Deze benadering kreeg gestalte in het Duitse Blitzkrieg-concept tijdens de vroege Tweede Wereldoorlog. In 1940 vielen Duitse pantserdivisies niet linie-voor-linie de Franse troepen aan (wat in WWI faalde), maar maneuvreerden via de Ardennen om de Maginot-linie heen, braken door en overvleugelden de geallieerden. Het resultaat was een snelle instorting van de Franse verdediging – een shock die met veel minder bloedvergieten tot stand kwam dan de jarenlange loopgravenoorlog van twee decennia eerder.
Militaire theoretici als B.H. Liddell Hart en later John Boyd waren grote voorstanders van de indirecte aanpak. Boyd benadrukte dat het doel is de vijand in een staat van “psychologische en morele ontregeling” te brengen, zodat hij praktisch verlamd raakt en niet effectief kan reageren. Dit bereik je door voortdurend initiatief en snelheid te houden: tempo is cruciaal. Door sneller te handelen dan de vijand kan bijbenen, dwing je hem in een reactieve modus waarin zijn plannen telkens achterhaald zijn (Het OODA-model: van Koreaanse gevechtspiloot tot strategie in crisistijd).
In een analyse zei een modern commentator het zo: “Waar attritie de tegenstander wil verslaan door fysieke vernietiging, zoekt manoeuvre de overwinning via een combinatie van vooruitziende actie, misleiding, ontwrichting en verrassingsaanvallen, leidend tot morele instorting van de vijand.” (Maneuver Warfare: “Reports of My Death Have Been Greatly Exaggerated” - Modern War Institute). Het einddoel van manoeuvre is dus een moraal-collaps teweegbrengen: de vijand geeft op of stort in omdat zijn coherentie weg is, niet noodzakelijk omdat al zijn troepen fysiek zijn uitgeschakeld.
Een klassiek voorbeeld is de Noord-Afrikaanse veldtocht (1941-43) waar generaal Rommel met snelle woestijnmaneuvers geallieerde troepen geregeld wist te overrompelen, ondanks numerieke inferioriteit. Uiteindelijk werd ook Rommel beperkt door logistieke uitputting – wat aantoont dat manoeuvre geen toverwoord is; het moet door logistiek en inlichtingen gesteund worden. Laten we ook niet vergeten dat de geallieerden Enigma gekraakt hadden zonder dat nazi-Duitsland dit wist.
Manoeuvre-denken is in westerse legers na de jaren ’80 doctrine geworden (bijvoorbeeld de Amerikaanse AirLand Battle en later Marine Corps Warfighting doctrine). Echter, critici stellen dat moderne omstandigheden (zoals stedelijke oorlog of asymmetrische vijanden) manoeuvre bemoeilijken. In dichtbevolkte steden kun je niet onbeperkt manoeuvreren zonder zware collateral damage, wat commandanten soms alsnog in attritie-modus duwt (Maneuver Warfare: “Reports of My Death Have Been Greatly Exaggerated” - Modern War Institute). De recente strijd om steden in Syrië of Oekraïne toont hoe technologische en terrein-hindernissen manoeuvre beperken en weer leiden tot taaie belegeringstactieken.
Toch blijft manoeuvre het ideaalbeeld voor conventionele oorlogvoering: slimheid boven spierkracht. Zelfs in zakelijk en politiek jargon spreekt men van “outmaneuveren” van de concurrent of opponent – sneller inspelen op trends, coalities smeden om de ander buitenspel te zetten, etc. In feite is de manoeuvre-filosofie ook strategisch denken: zoek de asymmetrie, vermijd de langzame frontale botsing, creëer een situatie waarin de tegenstander instort voordat de strijd goed en wel begonnen is.
Morele dimensie: strijd om wil en perceptie
Naast het fysieke slagveld benadrukte Clausewitz al dat oorlog ook een morele en psychologische component heeft. Hij schreef dat morele factoren drie keer belangrijker zijn dan materiële ((PDF) Complex Adaptive Systems Thinking (CAS*T) approach to IT investments). Hiermee doelde hij op zaken als moed, eenheid, vertrouwen, maar ook propaganda en overtuiging. In de context van “generational warfare” verwijst moral warfare of de morele dimensie naar het bespelen van de wil van de tegenstander (en/of de eigen achterban). Dit aspect komt het duidelijkst naar voren in wat Lind de vierde generatie oorlogvoering (4GW) noemt.
In vierde generatie conflicten is het thuisfront net zo belangrijk als het front. Guerrilla’s en terroristen weten dat ze militair vaak inferieur zijn, dus richten ze zich op de moraal van hun tegenstander. Bijvoorbeeld: tijdens de Vietnamoorlog wisten de Vietcong en Noord-Vietnam dat ze nooit alle Amerikaanse troepen fysiek konden verslaan, maar door enorme volharding en door te zorgen dat de Amerikaanse publieke opinie keerde (via beelden van burgerslachtoffers, lange duur van de oorlog, etc.), werd uiteindelijk de Amerikaanse wil om door te vechten gebroken – een morele zege voor Vietnam.
John Boyd had het in zijn analyses over drie niveaus van oorlog: het fysieke, het mentale en het morele. Het morele niveau achtte hij het hoogst: het gaat om rechtvaardigheid van de zaak, de legitimiteit, en het geloof van mensen in de strijd. Wanneer dat instort, maakt fysieke overmacht niet meer uit (Het OODA-model: van Koreaanse gevechtspiloot tot strategie in crisistijd). Dit principe zagen we ook bij de snelle ineenstorting van het Afghaanse regeringsleger in 2021: op papier tienduizenden soldaten, getraind en bewapend, maar zodra duidelijk werd dat de politieke wil en samenhang wegvielen, smolt het leger weg zonder alomvattende veldslag. Morele overmacht van de Taliban (hoe discutabel moreel hun zaak objectief ook was) versloeg de fysieke overmacht van het Afghaanse nationale leger dat geen vechtlust meer had.
Lind beschreef 4GW als oorlog gevoerd door losse netwerken of cellen die opereren “in a dispersed, decentralized way”, verbonden door een gedeelde ideologie of haat, met als doel het breken van de wil van beslissers aan de andere kant. Propaganda is hierin niet bijzaak maar hoofdzaak: elke actie heeft een boodschap. Osinga (2008) vatte het zo samen: 4GW heeft drie doelen met zijn boodschap – “break the enemy’s will; maintain the will of its own people; and keep neutrals neutral or tacitly supportive” ((PDF) Complex Adaptive Systems Thinking (CAS*T) approach to IT investments). Met andere woorden, zorg dat de vijand het opgeeft, je eigen aanhang gemotiveerd blijft, en de rest van de wereld niet ingrijpt. Dit is precies wat moderne strijdgroepen doen: denk aan ISIS dat brute propaganda inzet om vijanden angst aan te jagen (vijand demoraliseren), om sympathisanten te rekruteren (eigen moraal versterken), en om neutrale partijen af te schrikken of te beïnvloeden.
In vierde generatie oorlog zien we een mix van guerrilla-tactieken, terrorisme en informatieoorlog. Directe confrontatie met een sterke vijand wordt vermeden; in plaats daarvan lokaal toeslaan en ontsnappen: toeslaan waar de vijand zwak of verrast is (een hinderlaag, bomaanslag) en dan verdwijnen. Alles is erop gericht de vijand onzeker, bang en uitgeput te maken op termijn – een tactiek van “dood door duizend sneetjes” op moreel vlak. Ook is er het besef dat de media een slagveld zijn: beelden van aanslagen, of juist van burgerslachtoffers door vergeldingsacties van de tegenstander, worden maximaal uitgebuit om de narratieven te sturen.
Een essentieel kenmerk is tijd: 4GW strijders plannen voor de lange duur – “decades rather than months or years” ((PDF) Complex Adaptive Systems Thinking (CAS*T) approach to IT investments). Ze weten dat een staat als de VS of Sovjet-Unie misschien 5-10 jaar doorzettingsvermogen heeft in een buitenlandse oorlog, maar geen 30 jaar. Dus door te overleven en telkens kleine steken uit te delen, winnen ze tijd en daarmee uiteindelijk vaak de oorlog van de democratieën met kiespublieken die ongeduldiger zijn.
De morele dimensie is overigens niet uitsluitend het domein van rebellen. Ook staten voeren morele oorlogvoering, vaak door propaganda richting eigen bevolking of die van de vijand. In de Tweede Wereldoorlog bestookten zowel geallieerden als nazi’s elkaar met pamfletten en radiospeeches om de vijandige troepen tot overgave te bewegen en het eigen volk moed in te spreken. Het draait daarbij om beïnvloeden van perceptie: framing van de oorlog als rechtvaardig, de vijand diaboliseren, eigen verliezen minimaliseren.
In de huidige informatiemaatschappij is deze strijd om de geesten en harten wellicht belangrijker dan ooit – en daarmee zijn we beland bij het fenomeen van hybride oorlog en informatieoorlog, wat vaak “de vijfde generatie” wordt genoemd.
Hybride oorlog en informatie als wapen: naar instorting zonder slag
Hybride oorlogvoering combineert elementen van alle bovengenoemde vormen tot een geïntegreerde strategie. De term werd rond 2007 populair (Frank Hoffman), maar kreeg brede aandacht na de Russische annexatie van de Krim in 2014. Hybride oorlog is het gebruik van een mix van conventionele middelen (militair geweld) en niet-conventionele middelen (cyberaanvallen, desinformatie, economische druk, proxy-milities) om een tegenstander te ondermijnen, bij voorkeur zonder een formele oorlog te verklaren.
Een treffend beeld hiervan waren de zogenoemde “groene mannetjes” in de Krim: gemaskerde zwaarbewapende soldaten zonder emblemen, die ineens strategische posities innamen:
Afbeelding: Russische troepen zonder rangonderscheidingstekens op de Krim (2014), een voorbeeld van hybride tactiek waarbij reguliere militairen worden ingezet onder dekmantel van anonimiteit. (Wikimedia)
Doordat deze troepen niet officieel werden erkend als Russisch leger, kon de Kremlin de ambiguïteit opvoeren en verwarring zaaien – een klassieke Orient-verstoring van de tegenstander (in de OODA-loop). Tegelijkertijd liep er een intensieve informatiecampagne: pro-Russische media en online trolls schilderden het Oekraïense bestuur af als fascistisch en creëerden steun voor de “terugkeer” van de Krim naar Rusland. Cybermiddelen werden ingezet om Oekraïense communicatie te verstoren. Economische druk (dreiging om gas af te sluiten) en diplomatie (VN-vetorecht) maakten het plaatje compleet. Uiteindelijk was de Krim ingenomen zonder grootschalige slag: de Oekraïense staat was in die regio moreel en bestuurlijk in elkaar gestuikt voordat er echt gevochten kon worden.
Hybride oorlog is bij uitstek een vorm van “oorlog voeren zonder oorlog”. Acties blijven onder de drempel die een formele casus belli zou geven, maar cumulatief kunnen ze een verwoestend effect hebben. Rusland past dit concept ook elders toe: in Oost-Oekraïne 2014-2021 steunde het sluiks rebellengroepen (manoeuvre by proxy), combineerde het dat met desinformatie (MH17-complotten, ontkenning van aanwezigheid eigen troepen) en economische oorlogsvoering. Het Westen heeft hier moeite mee, omdat onze structuren ingesteld zijn op duidelijke situaties van oorlog of vrede. Hybride aanvallen spelen zich in de grijze zone af.
In bredere zin valt ook het grootschalige desinformatiebeleid van autoritaire staten onder moderne conflictvoering. China bijvoorbeeld voert een constante propaganda- en censuurcampagne om zowel de eigen bevolking als de wereld een bepaald beeld te geven. De Chinese Communistische Partij heeft een propaganda-apparaat dat reikt tot in vrijwel alle lagen van media en internet (Propaganda in China - Wikipedia). Binnenlands betekent dit dat ongewenste informatie streng gecensureerd wordt en media dienen als “mondstuk van de partij” (Propaganda in China - Wikipedia). Hoewel China formeel niet “in oorlog” is, duiden strategen dit aan als een vorm van voortdurende informatieoorlog tegen westerse invloeden en ter consolidatie van eigen macht. Het gebruikt moderne technologie – van gecontroleerde zoekresultaten (How China uses search engines to spread propaganda) tot trollenlegers op social media – om het narratief te beheersen. Dit is een vorm van strijd om perceptie, waar Sun Tzu’s oude uitspraak “de grootste overwinning is die zonder slag geleverd” zeer van toepassing is.
Ook democratieën zijn spelers in het informatie-domein, zij het vaak subtieler. De EU en westerse landen investeren in strategische communicatie: zo is er EU vs Disinfo om Russische nepberichten te ontkrachten, en in de strijd tegen COVID-19 werd nauwe regie gevoerd over de publieksinformatie. Soms nemen democratieën ook harde maatregelen die enkele jaren terug ondenkbaar leken, zoals het blokkeren van staatsmedia (RT, Sputnik werden in de EU verboden na de invasie in Oekraïne) – feitelijk censuur als defensief wapen tegen propaganda. Dit roept principiële vragen op: hoever mag een open samenleving gaan in het filteren van informatie om zichzelf te beschermen? Tijdens de pandemie zaten overheden wereldwijd met dat dilemma: enerzijds levens redden door duidelijke, soms angstaanjagende communicatie, anderzijds de vrije informatiestroom ontzeggen.
In elk geval is duidelijk dat informatie het slagveld van de 21e eeuw is geworden. De NAVO sprak al van “cognitive warfare”. De tegenstander breken kan nu betekenen: zijn samenleving zo polariseren en verwarren dat deze van binnenuit verlamd raakt – een instorting zonder veldslag. Denk aan scenario’s waarin een land door hacking wekenlang stroomuitval heeft, te midden van rondwarende geruchten en valse nieuwsberichten die paniek zaaien. Mensen verliezen vertrouwen in elkaars bronnen, complottheorieën floreren, de regering lijkt incompetent – chaos alom. Een vijandige mogendheid heeft dan haar doel bereikt zonder een schot te lossen: de instituties van het land zijn ontregeld, misschien valt de regering wel. Dit klinkt dystopisch, maar elementen hiervan zagen we tijdens COVID-19 (wereldwijd circulerende valse geruchten over vaccins, etc., die het volksvertrouwen aantastten) en bij verkiezingen (aantijgingen van manipulatie, buitenlandse inmenging via sociale media).
Het is verontrustend, maar ook eigen regeringen bedienen zich soms van manipulatie richting hun burgers onder het mom van crisisbestrijding. We noemden al het gebruik van angstretoriek in het COVID-beleid. In extreme gevallen – denk aan oorlogssituaties – worden burgers op dieet gezet van propaganda om het moreel hoog te houden. Rusland heeft bijvoorbeeld in 2022 wetten aangenomen die kritiek of het verspreiden van “onjuiste informatie” over het leger strafbaar stellen (Russian 2022 war censorship laws - Wikipedia), effectief elk afwijkend narratief smorend. De staatsmedia presenteren de invasie van Oekraïne uitsluitend als noodzakelijke defensieve operatie, en woorden als “oorlog” zijn taboe. Hierdoor wordt de Russische bevolking in een alternatieve informatiewerkelijkheid gehouden, waarin steun voor het regime hoog blijft.
Het Westen hanteert genuanceerdere middelen, maar ook hier zien we bijvoorbeeld overheden die sociale media gebruiken voor nudging. In Nederland kwam uit dat de overheid Facebookposts plaatste om het sentiment te peilen en te beïnvloeden inzake corona. In de VS was er discussie over samenwerkingen tussen overheidsinstanties en Twitter/Facebook om “desinformatie” te bestrijden – wat kritische stemmen als censuur zagen. Deze voorbeelden tonen dat de stap naar informatiebeïnvloeding intern soms klein is in tijden van dreiging.
We staan dus op het punt waar oorlogsvoering en maatschappelijke beïnvloeding samenvloeien. Generatie 4 en 5 (moreel en informatie) spelen zich immers grotendeels af binnen samenlevingen – die van de vijand én van jezelf. De EU heeft bijvoorbeeld te maken met Russische desinfo die Europese bevolkingen probeert te splijten langs breuklijnen (migratie, vaccinaties, energieprijzen). Maar ook interne actoren kunnen dat inzetten: politici die polariserende nepnieuws verspreiden voor winst. Het strategisch landschap is diffuus geworden.
Slotbeschouwing: strategisch denken in een grijze wereld
Van klassieke slagvelden tot de straten van het internet – de aard van conflict blijft evolueren. Wat kunnen wij als burgers en beleidsmakers hieruit meenemen? Enkele overpeinzingen dringen zich op:
Ten eerste beseffen we dat oorlogvoering niet langer iets is dat ver weg op een slagveld gebeurt. We zijn allemaal, bewust of onbewust, deelnemers in de informatieoorlogen en morele conflicten van nu. Onze meningen en emoties zijn doelwitten geworden – door buitenlandse propaganda, door marketing, of door eigen regeringscommunicatie. Strategisch denken is daarom niet louter een militaire vaardigheid, maar een burgercompetentie: kritisch media kunnen duiden, vragen cui bono (wie profiteert?) stellen bij nieuws, en niet elke emotionele impuls laten kapen door slimme communicators.
Ten tweede toont de generatiewisseling aan dat flexibiliteit en aanpassingsvermogen essentieel zijn. Rigide vasthouden aan één manier van conflict voeren (of het nu attritie of uitsluitend manoeuvre is) leidt tot verrassingen en mogelijk falen. Dit geldt ook buiten de militaire sfeer. Organisaties die vastzitten in een verouderd paradigma (vergelijkbaar met een leger dat maar blijft inzetten op de vorige oorlog voeren) kunnen ten onder gaan aan een nieuwe soort concurrentie of disruptie. De metafoor van generaties oorlogvoering leert: blijf alert op nieuwe vormen van strijd, of dat nu in business, politiek of sociaal domein is. Denk aan cyberbeveiliging – jarenlang lag de nadruk op fysieke beveiliging van gebouwen, maar nu is een hacker misschien wel gevaarlijker dan een inbreker.
Ten derde werpt het gebruik van strategieën als misleiding en propaganda door onze eigen overheden een moeilijk ethisch vraagstuk op. Is het ooit gerechtvaardigd de bevolking te misleiden voor hun eigen bestwil? Bijvoorbeeld, als strenge lockdowns noodzakelijk worden geacht, mag een overheid dan de dreiging extra aanzetten om naleving te verzekeren? De grens tussen legitieme publieksinformatie en manipulatie kan vaag zijn in crisis. Democratie leunt echter op transparantie en waarheid; als die te vaak geweld wordt aangedaan, ondermijnt men op lange termijn precies het morele fundament (vertrouwen) dat men wilde beschermen.
Clausewitz sprak van de “wonderlijke drie-eenheid” in oorlog – de regering, het leger en het volk, die alle drie betrokken zijn. In moderne conflicten en strategieën zien we die drie-eenheid ook, maar door elkaar lopend: regeringen richten zich soms tot het volk (van de vijand of van henzelf) als doelwit; legers opereren in de schaduw zonder logo; en het volk zelf kan een actor zijn (hacktivisten, burgerjournalisten). Strategisch denken in civiele context betekent dus het grotere plaatje zien: niet alleen de directe acties, maar de informationele en morele neveneffecten.
Tot slot, een uitnodiging tot reflectie: Als we de metafoor van generaties oorlog naar onze samenleving brengen, waar bevinden wij ons dan? Zijn we goed in manoeuvreren – vernieuwen en aanpassen – of zitten we vast in attritie-gevechten, bijvoorbeeld politieke debatten die op uitputting en polariserende krachtmeting uitdraaien? Hoe weerbaar zijn we tegen morele ondermijning – beseffen we wanneer ons narratief gemanipuleerd wordt, en hoe behouden we de cohesie in onze “thuisfront”? Deze vragen raken aan strategisch bewustzijn op maatschappelijk niveau.
De evolutie van oorlogvoering laat zien dat wie zich niet bewust is van de veranderende aard van conflict, het risico loopt verrast te worden en achter te lopen. Bewustwording is de eerste stap. Zoals Sun Tzu zei: “Ken uzelf en ken de vijand, dan zult u in honderd veldslagen niet in gevaar zijn.” In onze context: ken de mechanismen van beïnvloeding en conflict om u heen, en ken uw eigen waarden en grenzen. Alleen dan kunnen we strategisch navigeren in een wereld vol hybride uitdagingen – van boardroom tot woonkamer, van stembus tot cyberspace
Vervanging F16